Boek - pag. 222
Het vuistgevecht. Enigszins onderscheiden van de worsteling. Vuistgevecht met de blote of bewapende handen. Vuisten zijn aangeboren wapens, altijd gereed, en de oudste. Oudheid van het vuistgevecht als spel. Gebeurde eerst enkel met dichtgeknepen vingers. Naderhand nam men ook boksbeugels, gordels, riemen. In de loop der tijd werden die met loden, koperen of ijzeren knobbels bezet. De beschrijving ervan door Mercurialis en Scaliger. De verschrikkelijkheid van dit strijdspel uitgebeeld door Vergilius. Men ziet daarin verscheidene omstandigheden van het vuistgevecht. Vechters met boksbeugels. Hun zwaarlijvigheid. Gelijkheid van de boksbeugels. Vechters bij elkaar geplaatst en rechtopstaand. Slaan wreed naar elkaar. Slaan naar het gezicht, borst, lendenen en ribben. Verwonden elkaar zwaar. Poging om vol te houden. Tekenen van nederlaag en overwinning.
En wel eerst dat, wat bij Plutarchus (in zijn werk over Lycurgus), Suidas en anderen (in het betreffende trefwoord), bij Mercurialis uit Plinius, bij de Latijnen vuistgevecht genoemd wordt (Mercurialis, ‘De kunst van de gymnastiek’, boek 2, hoofdstuk 9 en Scaliger, ‘Over de dichtkunst’, boek 1, hoofdstuk 22): afkomstig van het Griekse woord voor ‘vuist’, waarvan het Latijnse
Boek - pag. 223
pugnus (vuist) en pugna (gevecht) en ons woord ‘vuist’ afgeleid zijn, waarbij alleen de p in een v veranderd is. Degenen die dit spel beoefenden (Hofman in het trefwoord ‘Pugil’), werden in het Grieks vuistvechters genoemd, in het Latijn pugiles, dus in onze taal vuistvechters. Het daadwerkelijk beoefenen van dit spel noemden de Grieken (‘Met de vuisten slaan’. Het woord ‘met de vuisten slaan’ vindt men ook bij de apostel gebruikt 1 Korintiërs 9:26, ‘Ik vecht dus niet als een die in de lucht slaat’. Hij zinspeelt op het vuistgevecht. Hoewel Hammondus aangeeft dat de apostel hier het oog heeft op de Griekse vijfkamp, die deels uit een vuistgevecht en deels uit worstelen bestond) ‘met de vuisten slaan’.
De uitleggers verschillen van mening of dit ouder of jonger is dan de worsteling. Bij ons is het een onderdeel van de worsteling, namelijk die met de handen geschiedt: want elk gevecht, strijd en weerstand beeldt de vorm van een worsteling uit. Echter was het anders van de worsteling onderscheiden, als een bijzondere soort van zijn geslacht: zoals ook Strauchius het zo begrepen heeft (Strauchius, ‘Olympiade’, § 15). Deze soort van de worsteling is tenminste in de Olympische arena later ingevoerd, en dus daar jonger, dan de worsteling in de strikte zin van het woord: want terwijl deze al bij de achttiende Olympiade ingevoerd is, werd het vuistgevecht er pas ingevoerd toen de drieëntwintigste Olympiade zich aandiende.
Het vuistgevecht was wederom onder te verdelen in een puur vuistgevecht, dat wil zeggen, dat alleen met de hand, met de vingers dichtgeknepen, in welke staat wij de hand de vuist noemen, gebeurde; en in een gevecht waarbij de hand bewapend was met zekere beschermende en verwondende tuigen (Pollux, boek 2, hoofdstuk 4), zoals zo dadelijk zal blijken. Het laatste is meer in gebruik gekomen en wordt daarom meestal
Boek - pag. 224
door de schrijvers bedoeld, als zij van een vuistgevecht spreken. Bij het betoog van de natuurlijke opkomst en voortgang hiervan zal alles duidelijker ten tonele staan: en daarvan doen wij dit navolgende verhaal.
De vuisten zijn aangeboren wapens, en daarom mogen we denken dat zij voor de uitvinding van andere wapens, uit hout, ijzer en dergelijke stoffen bereid, in de strijd zijn gebruikt: zoals ze nog maar al te veel gebruikt worden in particuliere geschillen van dronken, of daarbuiten, van boze, toornige en dergelijke personen, die het vuistrecht als scheidsrechter van hun onenigheden stellen. Het zijn ook wapens, die men altijd meebrengt, en die gereed zijn, naar welke men dus niet lang hoeft te zoeken. Deze aangeboren en gereedste wapens noemt Lucretius niet onaardig oude wapens (Lucretius, boek 5, vers 1284), waartoe hij ook de nagels en tanden rekent:
Arma antiqua manus, ungues dentesque fuerunt.
Dat is:
De oude wapens zijn de handen,
Dan nog de nagels en de tanden.
Het is voorts te denken, dat deze wapens nog eerder, dan voor de ernstige strijd, zijn gebruikt, om daarmee, onder scherts en spel, elkaar een zachte klap of stoot te geven (zoals wij de uitgelaten jongens zo zien zich onderling vermaken); maar dat daarna de groter wordende jeugd, en de gestoorde, feller toegeslagen, en alzo van spel ernst gemaakt hebben.
Boek - pag. 225
Het spelgebruik van de handen of vuisten is intussen gebleven, en tot een kunst en plechtigheid, en zelfs al vroeg tot die kunst, die wij nu beschrijven, namelijk het vuistgevecht, geworden. Al vroeg, herhaal ik, want Homerus verbeeldt de oefening hiervan reeds onder de Griekse helden voor Troje: wat ook Vergilius nabootst in AENEAS met zijn Griekse vluchtelingen. En Homerus en anderen stellen de oefening hiervan wel op de eerste plaats, de worsteling op de tweede, en het hardlopen (hoe natuurlijk dat ook is) op de derde, of ook wel op de vierde. Zo laat die prins der dichters ACHILLES tot NESTOR spreken (Homerus, Ilias 23):
Dat is:
--- Ik geef ze, kom de prijzen halen:
Gij zult met vuisten vechten, noch worstelen in het perk,
Noch pijlen schieten, ook niet draven fel en sterk.
Wat NESTOR op gelijke wijze beantwoordt:
Dat is:
Ik heb met het vuistgevecht heldhaftig overwonnen
Klytomedes, de zoon van Enops: Ancaeus (die begonnen
Had mij partij te bieden) met worsteling: en met rennen
Is het openbaar dat ik Iphiclus meester ben.
Boek - pag. 226
Echter is het in de Olympische arena later ingekomen, te weten, omtrent de 18e Olympiade, en aldaar jonger dan de worsteling, zoals zo-even in § 2 gezegd is.
Het vuistgevecht geschiedde eerst met dichtgeknepen vingers, zonder enig ander bijvoegsel. Maar nadat met de blote vuist slaan evenveel pijn, en soms nog meer, veroorzaakte aan degene die sloeg, als die geslagen werd, heeft men uit- en goedgevonden enige tuigen te gebruiken. Deze waren nu de boksbeugels, van het Griekse woord voor gordels, riemen: zoals ook van dit Griekse woord de Romeinen een gordel, en in het bijzonder die van de bruid, cestus noemden. De boksbeugels waren nu tweeledig, te weten, een lap zwaar ossenleer als een gordel aangemerkt, of enige riemen daaruit gemaakt, en om de handen en armen gewonden, waaruit de vingers, tenminste de nagels, uitstaken, om te kunnen krabben in tijd van noodzakelijkheid. Zo verhaalt Feithius het ons (Feithius, ‘Homerische oudheden’, boek 4, hoofdstuk 6): ‘het vuistgevecht geschiedde met vuisten door banden van een ossenhuid omwonden, waarmee zij elkaar klopten: zoals wij zien gebeurd te zijn door Euryalus en Epeus in Ilias 23. Zo zegt ook Theocritus in Idylle 22 dat Pollux gevreesd was, wegens het slaan met de vuisten’:
Dat is:
Diewelke zijn handen wond met een ossenhuid.
Wat daarna duidelijker blijkt uit zijn strijd met AMYCUS.
Desgelijks bij Vergilius (Vergilius, Aeneis, boek 5, vers 401):
Boek - pag. 227
In medium geminos immani pondere caestus Projecit; quibus acer Eryx in praelia suetus Ferre manum, daroque intendere brachia tergo.
Vondel geeft dit:
Hierop smeet hij flux twee zware wanten,
Waarmee zich Eryx, die gestrenge, placht te kanten
in het vechtperk, daar hij haar wel vast om de armen strikt.
Want vanouds hadden de vuistvechters riemen uit rauw ossenleer gevlochten, die aan de platte hand waren gebonden, zodat de vingers bloot waren, ten einde zij met de nagels konden krabben. De ouden noemden deze zachte riemen. Tot zover Feithius. Of, toen de wreedheid groter werd, en het spel op moorden begon te lijken, riemen, die met loden, koperen, ijzeren knobbels hier en daar bezet waren (waarop ook Vergilius in de aangehaalde plaats bij Feithius ogenschijnlijk speelt) welke voortaan in het bijzonder met de naam boksbeugels pronkten. Niet dat het woord dit eigenlijk betekende, want het betekent maar in het algemeen een riem, gordel, windsel, maar omdat nu doorgaans de boksbeugels zo, en niet anders, gesteld waren.
Deze knobbels waren de ramshoorns niet ongelijk, naar het zeggen van Manutius (Manutius, boek 2 van ‘Onderzoekingen per brief’, brief 8). Doch Pollux vergelijkt ze met eikels (Pollux, Onomasticon, Boek 6, hoofdstuk 30). Maar laat ons hierover eerst de beschrijving van Mercurialis (Mercurialis, boek 2, hoofdstuk 9), en daarna van Julius Caesar Scaliger horen. De eerste: ‘Voorzeker geleek op het vuistgevecht, of was een soort daarvan, die strijd, welke met de boksbeugels geschiedde. Want die waren koperen strepen, die om de handen gebonden werden, doch waarmee ze aangebonden werden, waren zekere
Boek - pag. 228
riemen met stippen onderscheiden, die van alle kanten om handen en armen gebonden werden: teneinde de vechters met deze zich niet alleen met enige zwaarte en dikte, maar ook met dichtheid, onderling treffen konden.’ Scaliger zegt (Scaliger, ‘Over de dichtkunst’, boek 1, hoofdstuk 22): ‘De vuisten zijn verzorgd met riemen tot versterking: om reden, dat degenen, die met de blote hand sloegen, menigmaal meer pijn ontvingen dan zij aanbrachten. De riemen zijn met een Grieks woord cestus geheten; want een cestus is een gordel. Kort waren ze in het begin (Clemens van Alexandrië, ‘De opvoeder’, boek 2, hoofdstuk 6): kort daarna, opdat ze niet ontvielen in het slaan, zijn ze zowel aan de elleboog als schouder vast gewoeld. Eindelijk is er ijzer en lood aangenaaid, wreed om te zien: want lichtelijk sloegen zij brein en keel aan flarden. Hierom trokken ze ook oorbeschermers om de oren.’
Verschrikkelijk was dan dit strijdspel, daar het de getroffen partij de tanden en kaken kon verbrijzelen, en het brein doen uitspatten, de hersenpan verbrijzelend, en hem dus met één klap dodend. Dit kunnen wij levendig uitgebeeld zien in de vuiststrijd, die Vergilius beschrijft tussen DARES en ENTELLUS te zijn voorgevallen (Vergilius, Aeneis, boek 5, vers 400 e.v.): welke twee van de beruchtste vuistvechters waren, en gesteld bij de vermaarde helden dezer kunst, CASTOR, AMYCUS, EPEUS, BROTHEAS, AMMON, GLAUCUS, CARYSTIUS, en dergelijke, van welke beroemde schrijvers gewag maken. Laat ons Vergilius horen:
---- sic deinde locutus In medium geminos immani pondere caestus Projecit; quibus acer Eryx in praelia suetus Ferre manum &c.
Boek - pag. 229
Vondel geeft het ons zo:
-- Hierop smeet hij flux twee zware wanten,
Waarmee zich Eryx, die gestrenge, placht te kanten
In het vechtperk, daar hij haar wel vast om de armen strikt.
De aanschouwers horen hem vast aan, en staan verschrikt
Om de ossenleren want, heel stijf gevoerd met stoffen
Van lood en ijzer: zelf staat Dares hier getroffen
Van vrees, en meer verbaasd, dan iemand van de schaar,
En wil zich met de want niet stellen in gevaar.
Anchises' forse zoon greep het vechttuig in zijn handen
Met al de windselen en lange en taaie banden:
Bezag het overal. Toen sprak de grijze man
Entellus: hoe zou het oog zich wel verwonderen van
De wapens, de eigen want van Hercules, grof van leden
En om zijn felle strijd, op deze kust gestreden?
Uw broeder Eryx vocht weleer met dit geweer,
Dat gij nog ziet bespat van brein en bloed: weleer
Durfde hij Alcides het hoofd met deze wapens bieden:
En toen mijn bloed voorheen nog heet was en aan het zieden,
Ik nog van ouderdom niet grijs, nog dus vertraagd,
Gebruikte ik dit geweer: doch zo u dit behaagt,
En Dares ons geweer mag wraken en versmaden,
Acastus, insteller van de strijd, dit vindt geraden,
De vorst Aeneas dit ook goed dunkt: ik ben tevreden:
Laat ons met eenderlei geweer in het vechtperk treden.
Zijt onbezorgd: ik zal mij hier niet tegen kanten:
Ik leg Eryx' wanten af: schudt gij de Trojaanse wanten
Ook uit. Zo spreekt hij, schiet de dubbele kolder uit,
Ontdekt zijn grove leden, en grof gebeente en huid,
En armen, sterk en dik, en zet zich zonder wapen,
In het midden van het perk, zo groot hij is geschapen.
De vorst Aeneas brengt twee wanten voor de dag,
Al even dik en zwaar, bewindt zo sterk hij mag,
Boek - pag. 230
Met eenderlei geweer de handen van die beiden.
Toen stonden ze op hun tenen, al even stout, en zwaaiden,
En schermden met de arm, braverend in de lucht:
Zij raakten handgemeen, en voor de slag beducht,
Zien door het buigen van hun hoofd de slag te mijden,
Te ontwijken 's vijands vuist, verhitten onder het strijden.
De een, wakkerder te voet, zich op zijn jeugd verlaat,
En de ander op zijn zwaarte en dikte: maar hij staat
Te los en wankelt: want de benen hem begeven,
Die onder 's lichaams pak, dat log en traag is, beven:
Hij hijgt naar zijn adem, van zwaarte mat en moe.
Zij slaan een lange wijl vergeefs van weerszijden toe:
Herhalen slag op slag op ribben, borst en lenden,
Zo vreselijk dat het ploft. Men drijft van alle enden
Elkander met de vuist, om de oren, waar het raakt,
Dat been, kaakbeen en hersenpan kraakt.
De grove Entellus staat, en weet van geen bezwijken,
Zo pal gelijk een paal, en zonder eens te wijken.
Hij ziet de slag tegemoet, verzet het door zijn stand.
Zijn vijand, die hem nu van die, van deze kant
Bespiet, verzuimt geen kans, bespringt hem zonder voordeel,
Zo menigmaal vergeefs; gelijk een die met oordeel
Een oversterke stad en wallen, hoog gebouwd,
Met stormgeweer bestormt, of het slot belegerd houdt,
Op eenen hogen berg. Entellus, om te treffen,
Begon zijn grove vuist met macht omhoog te heffen,
En bracht hem eenen slag van boven: de ander zag
Die komen op zijn hoofd, ontweek gezwind de slag
Met eenen luchten sprong. Entellus door dit falen,
Dit toeslaan in de wind, stort, eer hij het kan herhalen,
Om zijn zwaarlijvigheid, ter aarde met dit pak
Des lichaams: als weleer uit de aarde met een krak,
Een oude pijnboom, die, omhoog in top gestegen,
Op Ida Erymanthus, vermolmd en verlegen,
Boek - pag. 231
Van zijn wortel wordt gerukt en neergeveld.
Trojaan en Siciliaan krioelt en woelt, ontsteld
Van ijver, dat het klinkt omhoog in 's hemels bogen:
En oude Acestes komt terstond, uit mededogen,
Tot zijnen lieven vriend, al even oud als hij,
Vooruitgelopen, heft, al spijt het zijn partij,
Hem dadelijk weder op. De held niet eens verschrokken,
Nog van die val verlamd, hervat dit haastig wrokken
En vechten heftiger. De wraak zet krachten bij.
De schaamte en kennis van zijn sterkte, dus in lij,
Ontvonkten toen zijn bloed en hart, en al verbolgen
Past met de flinke hand en rechte hem te volgen.
Te treffen reis op reis, drijft Dares over veld
En weide zonder rust. Geen rust was in de held.
Hij schroomde niet, maar sloeg op Dares, stootte en draaide,
En trof hem, dat het kraakte, alsof de hagel waaide
En neerstortte op een dak. De vorst Aeneas kon
Niet lijden, dat Entellus de veldslag langer won,
En voortvoer in die gloed: dies hij de vechters scheidde,
Hem Dares, dus vermoeid, ontrukken kwam, en zeide:
Hoe nu toe? Ziet ge niet, dat hij u overmag,
De kans gekeerd is? Zwijg voor sterker uit ontzag.
Rampzalige, gij raast, helaas, waar zijn uw zinnen?
Zo spreekt hij: schort de strijd, maar al die Dares minnen
Zijn spitsbroers leiden hem (die van vermoeidheid vast
De benen nasleept, en het hoofd van overlast
Van weerszijden hangen laat, geronnen bloed en tanden
Bij stukken uit de neus en mond spuwt) naar de stranden
Te scheep.
In deze beschrijving van Vergilius komen ons verscheidene dingen voor, die de omstandigheden van het vuistgevecht, en in het bijzonder dat met de boksbeugels, riemen
Boek - pag. 232
en knobbels geschiedde, voor. Want 1. worden niet alleen de boksbeugels ten duidelijkste beschreven, en als met haar eigen verven levendig voor de ogen afgeschilderd: nee, ook 2. wordt er in de grofheid van HERCULES (zie Theocritus, Idylle 22, vers 43), ERYX, ENTELLUS genoegzaam uitgebeeld, dat de vuistvechters zeer zwaar van lichaam en als gehele gevaarten moesten zijn. Tot welk einde de beoefenaars van dezen in de sportschool als luie varkens gemest werden (zie hierboven boek 1, hoofdstuk 8, § 3), hetwelk zij ook met de worstelaars gemeen hadden (Suidas, Strauchius § 15); gelijk ook dit gevecht voor een soort van worsteling te houden is, wordende die onderscheiden in een rechte en gebogen worsteling. Tot de eerste soort behoorde ook het vuistgevecht, en ook zelfs, wanneer het geschiedde met de boksbeugels. 3. dat ze met gelijke boksbeugels verzorgd werden, teneinde door de ongelijkheid daarvan, bijvoorbeeld als iemand een lichte en zijn partij de zware als van ERYX had, niemand voordeel bekomen of schade lijden mocht. 4. dat de partijen bij elkaar gesteld werden, en uitgerekt, heel recht op en met uitgestrekte armen stonden. Het eerste werd ‘samengesteld, bij elkaar gezet worden’ genoemd, door Polybius (Polybius, geschiedenis, boek 1, blad 24). Het laatste geschiedde (Plutarchus), om zich schrap te zetten op zijn plaats, zich tegen de partij te verheffen, om beter te overwinnen. Maar zich zo te verheffen, en de hals stijf op te steken, werd buiten het vuistgevecht in de gemene wandeling voor zeer onmanierlijk en lelijk gerekend, en wie het deed voor een ijdel mens gehouden, zoals uit Plutarchus blijkt. Dit rechtopstaan, met het oog op de aanstaande daad, werd ‘rechtopstaand slaan’ of ‘rechtopstaand vuistvechten’ geheten (Faber, ‘Wedstrijden’, boek 1, hoofdstuk 12). Zo moesten zij staan op een goede standplaats, met stof en zand opgevuld, om niet te glijden, zoals uit
Boek - pag. 233
Philoostratus blijkt (Philoostratus, preek 246): en zo vast, opgericht en pal staande werden ze gezegd een ‘ordentelijke stand’ of ‘houding’ te hebben. Hierop speelt Chrysostomus (Chrysostomus bij Efeziërs 6:13-14). Aan zulk een stand en houding was zoveel gelegen, dat er menigmaal de overwinning, of nederlaag van afhing. Wie nu in zulke houding stonden, werden gezegd ‘te weerstaan’ te staan, ‘weerstand bieden’. Hierop speelt Sophocles als hij van het weerstaan der liefde spreekt (Sophocles bij Stobaeus, preek 84).
Dat is:
Die als een vechter met de vuist en ruwe wanten
Zich tegen de heerschappij der liefde poogt te kanten,
Is dwaas; want liefde heerst zelf over hoge goden.
Bijna op dezelfde wijze spreekt ook Plutarchus van SOLON (Plutarchus in Solon, circa het begin): ‘dat Solon niet gewapend was geweest tegen de schone, noch vermogen gehad hebbe, om als een vuistvechter, met uitgestrekte handen, de liefde te weerstaan, enzovoort’. Het wordt ook genoemd ‘tegen de man staan’, bij Theocritus (Theocritus, Idylle 22, vers 65). Echter waren deze dingen ook gemeen aan de worstelaars, waarvan beneden. Maar het blijkt voorts uit Vergilius 5. dat zij zich hebben beziggehouden met wreedelijk naar elkaar te slaan, en dat de kunst bestaan heeft in onderling wisse slagen toe te brengen, en ze onderling te ontwijken door 's lichaams buigingen en neigingen. Dit drukt Scaliger omstandiger dus uit (Scaliger, op de aangehaalde plaats): ‘de gehele kunst bestond in de slag te vermijden, niet door de vlucht, maar door 's lichaams neigingen en buigingen. Dan echter de slag op te vangen
Boek - pag. 234
met een slag, als die sterker is. Tenslotte geen slag vergeefs te geven: want ze vielen voorover door het gewicht van het lood voortgedreven, als ze te krachtig probeerden te slaan.’ (hetwelk DARES wegens zijn vlugheid beter doen kon dan de oude en verstramde ENTELLUS. Daarom zegt Vergilius van de eerste (Vergilius, Aeneis, boek 5, vers 430):
‘hij, beter van voetbeweging en vertrouwend op zijn jeugd’.
Dat is, volgens Vondel:
de een wakkerder te voet zich op zijn jeugd verlaat.)
Daarna de slag met slag te ontvangen, zo de partij sterker is. Eindelijk geen slag vergeefs te doen: want die te sterk poogden te slaan vielen voorover door de zwaarte des loods neergetrokken. (Dit laatste gebeurde, naar Vergilius’ verhaal, meergemelden ENTELLUS, te meer omdat zijn zwaarheid erbij kwam:
----- Entellus door dit falen,
Dit toeslaan in de wind, stort eer hij het kon herhalen,
Om zijn zwaarlijvigheid, ter aarde met dit pak.
e.z.v. En ten 6. dat zij voornamelijk elkaar naar de mond, aangezicht, oren, geslagen hebben (zoals geschieden moest, als wij tevoren toonden) maar ook naar de borst, lendenen en ribben. Dit heeft Vergilius dus uitgedrukt:
Multa cavo lateri ingeminant, & pectore vastos Dant sonitus, erratque aures & tempora circum Crebra manus, duro crepitant sub vulnere malae.
Vondel heeft dit:
Herhalen slag op slag op ribben, borst en lenden,
Zo vreselijk, dat het ploft: men drijft van alle enden
Boek - pag. 235
Elkander met de vuist om de oren waar het raakt,
Dat been en kaakbeen en hersenpan kraakt.
En ten 7. dat ze elkaar zwaar verwondden. Want DARES’ hoofd was aan flarden geslagen, en hij spuugde geronnen bloed en stukken tanden. Dan ten 8. dat de zwakkere partij veel pogingen en moeite aanwendde, om het uit te harden. En zo wordt elders genoegzaam aangewezen, dat zo een in grote verzwakking, vermoeiing, verlegenheid, en tot bezwijking gebracht zij. Het een en het ander noemden de Grieken (Deze beide woorden ‘arbeiden’ en ‘vermoeien’ vinden we bij elkaar in Openbaring 2:3. ‘Gij hebt... gearbeid, en zijt niet moe geworden.’ Dit is ontleend aan de strijdoefeningen der Grieken, inzonderheid van de worstelaars, die vermoeid en afgemat zijnde de moed verloren gaven. Paulus heeft zulks mede op het oog, wanneer hij Hebreeën 12:3 zegt: ‘Opdat gij niet en verslapt en bezwijkt in uw zielen.’ Philo de Jood stelt tegen elkaar de woorden ‘vertrouwen, kloekmoedig zijn’, en ‘verflauwen’. ‘Weest standvastig, of kloekmoedig, verslapt niet.’ Vergelijk Psalm 27:3. Zie verder Adami Observ. Theol. Philol. p. 406, 407) ‘arbeiden, vermoeien’. Hierop moest Vergilius ten 9. aangewezen hebben het teken van nederlaag en van overwinning: echter laat hij dat na, eensdeels, omdat hij DARES vertoont als zich uit grootmoedigheid vertwijfeld verwerende, zodat hij zich liever wilde laten doodslaan, dan het teken, van zich overwonnen te belijden, geven: en anderdeels, omdat hij AENEAS inbrengt, als DARES voor het uiterste uit het perk trekkende. Anders was het teken, dat de overwonnene van overwonnen te zijn gaf (wijl hier de overwinning niet uit de zaak zelfs blijken konde, gelijk in de hardloopwedstrijd,
Boek - pag. 236
waar de verwonnene zichtbaar achtergezet, en gelijk in de worsteling, daar de verwonnene driemaal geveld worden moest) of een mondelinge bekentenis, of een dadelijke uitscheiding, en de uitstrekking en neerlating van armen en handen, die tevoren uitgerekt en opgeheven waren. Het een werd genoemd ‘opgeven, afzien’, het ander ‘de handen uitsteken, of toereiken’. Zo deed AMYCUS van POLLUX in het vuistgevecht overwonnen, naar het verhaal van Theocritus (Theocritus, op de aangehaalde plaats):
Dat is:
Hij lag ter aarde neer, verbaasd en wreed geslagen,
En reikte henen (wijl hij weigerde te wagen
De verdere kans) zijn handen allebei:
Hoe niet? Dicht was hij bij de dood, alwaar hij lei.
Want hoewel het vuistgevecht er niet op doelde, om iemand ter neer te werpen, maar om hem slechts te kloppen, zo was het echter, dat een zwakkere partij door veelvuldige verwonding getroffen ter aarde kon nedervallen. En hoewel dit neervallen uit zulke verwonding (genoegzaam zich onderscheidende van een neervalling door een zware misslag, welke ENTELLUS deed nederploffen) een genoegzaam teken van overwinning was, zo was het echter in gebruik, dat zelfs zulk een mondeling de strijd opgaf, en zijn handen toereikte; alzo doende, hetgeen een die nog staande, gelijk doorgaans geschiedde, eruit moest scheiden, te doen had, te weten de strijd opgeven, en de handen toereiken, gelijk gezegd is. Dit toereiken van de handen geschiedde met die te laten uit
Boek - pag. 237
haar opgeheven stand, bij welke zij in houding stonden om te slaan, zakken, en althans te laten neerhangen, hetwelk ‘de handen neerlaten’ (*) genoemd werd. Maar het teken, dat hierop de overwinnaar van zijn zege gaf, was ook een uitreiking van zijn handen, maar verscheiden van de vorige, omdat deze zonder belijdenis was, en omdat ze geschiedde met opheffing naar de wijze der blije en galmende: waarom ze (in opzicht van de schijfwerp) ‘de handen uitzenden, uitwerpen, opsteken’ genoemd wordt van Statius. Zo zegt hij (Statius, Thebaïs, boek 6, vers 659):
-- absistunt procul, attonitique fatentur Cedere, vix unus Phlegyas, acerque Meneftheus (Hos etiam pudor, & magni tenuere parentes) Promisere manum. ----
Dat is:
Zij staan van verre, en bekennen dat zij het geven
Zo gansch verbaasd: alleen Phlegyas en daarneven
De wakkere Mnesstheus (doch ook beiden maar door de schaamte
En grote naam en faam der vaderen gepraamd)
Staan het uit tot aan de zege, en steken op haar handen.
(*) Philoostratus in ‘Heldendichten’ zegt: ‘de handen laten hangen’. Paulus, het oog hebbende op Jesaja 35:3 zegt Hebreeën 12:12, ‘trage handen’, of mogelijk liever, ‘slappe handen’, gelijk menigmaal van zulke in het Oude Testament gesproken wordt. Zie 2 Samuel 17:2. 2 Kronieken 15:7. Ezra 4:4. en meer elders. De apostel zinspeelt zonder twijfel op de vuistvechters, wier handen gezegd werden slap te worden, als zij afgemat zijnde de moed opgaven, en niet meer in staat waren, om de vijand slagen toe te brengen. Zie Faber en Lydius.
Omdat nu in het vuistgevecht zulke openbare opgave en
Boek - pag. 238
belijdenis, en moorddadige wreedheid plaats had, heeft LYCURGUS zijn burgers, de Spartanen, hetzelfde verboden, zoals ook ALEXANDER de GROTE gezegd wordt het verontwaardigd en versmaad te hebben. Want het ene streed tegen een heldhaftige grootmoedigheid, en het andere tegen alle menselijkheid. Het wordt dan met recht van Ammianus Marcellinus in keizer CONSTANTIUS gelaakt, dat hij in het gezicht van dit wrede spel meer dan in alle andere zich verheugde. Echter, omdat de Lacedemoniërs in volgende tijden zo zeer overgegeven zijn bevonden aan het vuistspel, schijnt het ons toe, dat LYCURGUS het zo afgeschaft heeft, dat slechts de wrede ernst werd weggenomen, en het lievere spel in de plaats gesteld, te weten, zo dat het voortaan niet zou toegaan met echte wapenen, dat is, boksbeugels, maar met zachtere, en die geen wonden veroorzaakten: zoals wij bij Trebellius Pollio lezen van vuistvechters (Trebellius Pollio), die het vuistgevecht streden niet terdege, maar met zakjes; of, zoals andere boeken lezen, hetwelk ook Casaubonus verkiest, met zachtgevulde ballen, die zonder twijfel in plaats van de ijzeren en loden knobbels in en aan de riemen genaaid werden: zoals wij, herhaal ik, aldaar van zodanige vuistvechters en zachte tuigen lezen, zo kunnen ook dergelijke na LYCURGUS bij de Lacedemoniërs in gebruik geweest zijn: hetwelk ook daaruit geloofwaardig wordt, dat bij hen in latere tijden tedere dochters die riemen aanbonden, en tegen elkaar klopten, daar toch die zachte sekse geen hardheid voegt, en daar niet de bloedigheid, maar de beweging en oefening, vaardigheid en sterkte verschaft, die de oorzaken waren, dat ook de dochters de oefenspelen, en in het bijzonder het vuistgevecht, waarnamen. Dat nu gemelde Spartaanse dochters de oefenspelen en in het bijzonder het vuistgevecht hanteerden, blijkt duidelijk uit Propertius (Propertius, boek 3, elegie 13):
Boek - pag. 239
Multa tuae, Sparte, miramur jura palaestrae, Sed mage virginei tot bona gymnasii.
Dat is:
O Sparta, wij staan stom voor uw schouwburgswetten,
Maar meest zo wij het oog naar het maagdenschouwburg zetten.
Nunc ligat ad caestum gaudentia brachia loris, Missile nunc disci pondus in orbe rotat.
Dat is:
De jonkvrouwen woelen daar de knobbelige want
Aan blije armen en schijfwerpen met de hand.
Dit alles vatten wij op van lichtere speloefeningen met versierde, dat is zachtere wapenen en boksbeugels, ofschoon Propertius dit vuistgevecht der jonkvrouwen voegt bij een pancratium, hetwelk bloedige wonden veroorzaakte:
Pulverulentaque ad extremas stat femina metas, Et patitur duro vulnera pancratio.
Dat is:
Een vrouw met stof bedekt staat bij de laatste meten,
Krijgt wonden uit het spel, pancratium geheten.
Want dit schijnt hij slechts bij vergroting gezegd te hebben, schram of buil, of blauwe plek, om de tederheid der sekse, voor grote wonden opgevende.
De lezer kan bij Mercurialis pag. 154, 155 en 156 verscheidene figuren vinden van zulke vuistvechters, die met de boksbeugels of geknobbelde riemen sloegen, gelijk ook van deze geknobbelde riemen, om de armen gewonden, zoals Mercurialis die gevonden heeft bij Pyrrhus
Boek - pag. 240
Ligorius, die ze uit penningen, grafschilderingen en andere oude stukken haalde.
Zie daar wat wredere instrumenten! Uit dezelve is wederom duidelijk te zien, hoe bloedig dit gevecht, en trouwens nog een spel genaamd, moet geweest zijn. En echter werd dit wrede spel, hoewel met rede van velen gelaakt, nochtans van anderen hooglijk geprezen, en verheerlijkt. Want de overwinnaar werd van oudsher (Faber, boek 1, hoofdstuk 14) geroemd, als zo een die een loffelijke zege behaalde, als moetende de overwonnene neerslachtige belijdenis doen van zijn tekortkoming. Ook waren de overwinnaars oudtijds brave prijzen toegelegd, t.w. ossen, en ook wel een schone vrouw. Zo laat HERCULES bij Euripides deze overwinnaars, als ook de overwinnaars in het worstelperk, beschenken (Euripides, Alcestis, akte 5):
Dat is:
Want die in lichte spelen won,
Ging henen met de rossen,
Maar die in zware winnen kon,
Ontving ten prijze ossen:
En dan nog wel een schone vrouw.
Het was schande, zo ik het weigeren zou.
De zware spelen zijn het vuistgevecht en de worsteling, gelijk de Griekse tekst zelf zegt, noemende uitdrukkelijk de zware spelen, gelijk de lichte, daar ze tegenover staan, de hardloopwedstrijd, sprong, en schijfworp zijn. Echter
Boek - pag. 241
in het Olympisch perk werd de zege met de erekroon beloond: en nog daarenboven met loftuitende verzen hooglijk verheven. Simonides maakte om geld zo een lofdicht, als er op overwinnende veldheren paste (Quintilianus, ‘De opleiding van de redenaar’, boek 10, hoofdstuk 11). Het schandelijkste was, dat deze moorddadige overwinnaars wel onder de goden geplaatst werden. Zie Eusebius (Eusebius, ‘Voorbereiding op het evangelie’, boek 5).