Boek - pag. 294
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De sprong behoorde mede tot de Spelen. Drie of vier soorten sprongen. Sprong zonder iets in de handen te hebben. Een ander, waarbij men, tot steun en stuwkracht, iets in de handen, onder de armen, of de schouders, of boven het hoofd had. Deze zwaargewichten werden halters genoemd. De beschrijving van dit spel wordt meest omstandig aangewezen uit Mercurialis, die er ook een afbeelding van geeft. Sprong op gezalfde leren zakken met wijn gevuld. Mercurialis geeft daarvan bericht en een afbeelding uit Stephanonius.
§. I.
Een ander oefen- en strijdspel was de sprong (Mercurialis, boek 2, hoofdstuk 11), die Mercurialis beschrijft als een verkorte loop, een onderbroken loop, zegt hij. De handeling werd springen genoemd, en onderscheidt zich van dansen, een springen en huppelen op de maat.
§. II.
Dat de sprong ook tot de Spelen behoorde, blijkt meer dan zonneklaar uit Pindarus (Pindarus), wanneer hij deze vijf opsomt:
Dat is:
Sprong, discusworp, speerworp, de loop en het worstelen.
Boek - pag. 295
Hij vervangt hier bij het worstelen het vuistgevecht, omdat hij de speerworp van de discusworp onderscheidt. Anders wordt het vuistgevecht wel vooraan geplaatst, en het werpen van de discus of speer weggelaten. Dit doet Homerus (Homerus, Odyssee, 8, vers 103):
Dat is:
Het vuistgevecht, de worsteling, en daarbij
Het springspel, en de loop zo snel mogelijk voortgedreven.
Echter, dit zo terloops.
§. III.
Seneca onderscheidt de sprong in drie soorten (Seneca, brief 15), en zegt: de sprong, namelijk die welke het lichaam omhoog heft, of die het in de verte werpt, of (om het zo te zeggen) de Salische, of (om het nog smadelijker te zeggen) de vollerssprong. Dat is: de sprong, of die namelijk, welke het lichaam omhoog heft, of die het in de verte werpt, of (om het zo te zeggen) de Salische, of (om het nog smadelijker te zeggen) de vollerssprong. De soort die het lichaam opheft, is recht omhoog springen; die het wegslingert is voorwaarts springen; de Salische is die uitzinnige sprong die de Salii, priesters die zo genoemd werden, maakten, welke Seneca bij wijze van verachting ook die van de voller noemt, tenzij hij de Salische en de vollerssprong van elkaar onderscheidt, wat bij ons in twijfel wordt getrokken. Als dat zo was, zou hij vier soorten sprongen opsommen.
§. IV.
Vervolgens had de sprong dit onderscheid, dat sommige sprongen (zo gezalfd en naakt, of halfnaakt als zij waren, waarover meer te zien is bij Faber) (Faber, Agon, boek 2, hoofdstuk 4) zonder iets in hun handen te hebben werden uitgevoerd: andere wederom, zo dat ze enige zwaargewichten, tot steun en stuwkracht
Boek - pag. 296
in de handen hadden, ook wel onder de armen, ook wel op de schouders, en boven het hoofd: die ook wel halters werden genoemd. Dit geeft Aristoteles ten dele te verstaan, zeggende (Aristoteles, Problemen, 8, §5):
Dat is: zoals dit ook een onderdeel is van de vijfkamp, het spel met de halters, of gewichten. En degene die loopt, en ze zwaait met de handen. Want degene die de halters heeft, springt verder dan degene die ze niet heeft, en degene die sneller loopt zwaait, dan degene die niet zwaait.
§. V.
Echter, de meest duidelijke beschrijving van dit spel blijkt ons uit Mercurialis (Mercurialis, op de aangehaalde plaats), die er als volgt over spreekt: "Wat wij echter eigenlijk de sprong, op gezag van Antyllus, noemen, enzovoort."
“Dat is: maar wat wij eigenlijk de sprong, op gezag van Antyllus, noemen, vinden wij in de oefenscholen op twee manieren gebruikt te zijn: enerzijds als de springers met lege handen zichzelf omhoog heffen: waarover Aristoteles sprekende schrijft (Aristoteles, over de gemeenschappelijke voortbeweging van dieren), dat het zwaar werk is om met de sprong een juiste beweging te maken, en haalt als bewijs die paarden aan, welke de ruiters ter vertoning staande houden, en niet toelaten voort te treden, en die zich door deze beweging snel vermoeien en de uitputting voelen; anderzijds, wanneer zij met de handen enige gewichten vastgrepen, opdat zij daardoor versterkt een krachtigere sprong konden maken; welke gewichten, ofschoon ik weet dat ze door Aristoteles en Theophrastus halters genoemd worden, zal ik echter hieronder aantonen dat de halters een andere soort oefening waren.
Boek - pag. 297
Ondertussen wil ik de fout van Conarius aantekenen, die in zijn uitleg over het tweede boek van Galenus, 'over de samenstelling van medicijnen naar de plaats', onkundig van deze zaak, Budaeus bekritiseert, omdat hij gezegd heeft 'dat de strijders in de sprongkunst halters, of gewichten, gebruikt hebben': want ofschoon ik hem toesta, wat hij zegt over het onderscheid tussen halters en 'halkteres', zo zeggen nochtans Aristoteles in 'Problemen', 5, 8 en Theophrastus in zijn 'boek over vermoeidheid' (wat hij ontkent) dat de vijfkamp-strijders en anderen beter springen, indien zij een steen of halters in de hand hebben, dan wanneer zij met lege armen zwaaien: hetzelfde dat ook bevonden wordt vastgesteld te zijn door Themiftius in zijn vierde rede. Waarom misschien ook bij Galenus, in zijn tweede boek over het behoud van de gezondheid, en bij Artemidorus, niet 'haltersin' en 'halkteresin' gelezen moet worden, maar 'halters' en 'halteria': aangezien ik niet heb kunnen vinden, dat bij enige andere schrijver het woord 'halkteres' gebruikt is geworden. Maar op welke wijze deze sprongkunst zowel door de atleten, als door anderen werd uitgevoerd, vermoed ik dat het deze was: te weten dat ze somtijds over vlakke plaatsen met aaneengesloten sprongen sprongen, en dan hadden ze ook een streep, vanwaar ze de sprong begonnen, 'bateer' genaamd, en een maat, 'kanon' genaamd, en dan nog een eindstreep, de meet, die aan te raken een grote, maar voorbij te streven een allergrootste lof was, naar alle waarschijnlijkheid, die ook 'skammata', of misschien, zoals er in het oude woordenboek staat, 'eskammena', naar ik meen, genoemd wordt. Hoewel ik ook weet, dat 'skamma' en 'skammata' de afbakeningen en
Boek - pag. 298
beperkingen betekend hebben, die de strijdenden gesteld werden, gelijk nog heden aan de spelers en vechters touwen of houten stukken gesteld worden, die het niet geoorloofd is aan te raken, laat staan eroverheen te springen, vanwaar het spreekwoord komt, tegen degenen die over de schreef gaan (letterlijk: over de afbakening springen) (Julius Pollux, Onomasticon, boek 3, hoofdstuk 30, nummer 6). Zij sprongen nu soms van laag naar hoog, soms van hoog naar laag, waarvan de sprong van laag naar hoog het zwaarst was: aangezien enkel omhoog stijgen als zwaarder wordt beoordeeld dan afdalen door Aristoteles (Aristoteles) en Theophrastus (Theophrastus). Ik vind ook, dat de springers niet slechts gewichten in de handen hadden, teneinde zij beter geoefend konden worden, maar ook soms zwaardere gewichten op het hoofd, soms op de schouders, soms aan de voeten, gehad hebben, zoals te zien is op die oude afbeelding waarin de springers zeer net uitgebeeld staan: die wij als oud en authentiek van Ligorius ontvangen hebben. Men zie de figuur bij Mercurialis p. 163.
§. VI.
Hier zien wij iemand, die halters, langwerpige, ronde stukken, in het midden dunner en makkelijk vast te pakken, in de handen heeft: een ander houdt een zwaarder stuk in beide handen voor zich uit: nog een ander heeft een groter stuk op het hoofd, en steunt het met beide zijn handen: dan staat er een, die een dergelijke last onder de arm houdt: maar een zien wij allermeest beladen; want hij torst twee zware stukken lood, op iedere schouder, twee zware halters in de vuisten, en nog twee zware loden klompen verzwaren zijn voeten. Waarlijk, als deze hoge sprongen heeft kunnen maken, moet hij vreselijk sterk geweest zijn.
Boek - pag. 299
Wij keren ons vervolgens weer tot Mercurialis, die voortgaat en als volgt spreekt: “Of deze gewichten alleenlijk gediend hebben om meer oefening te veroorzaken? Ik meen, dat degenen, die voor hun gezondheid oefenden, dit doel hadden. Maar voor anderen strekte het tot een zekere ijdele glorie, te weten omdat degenen, die met zwaardere gewichten beladen, langer en hoger sprongen, met grotere prijzen en eerbewijzen beladen werden.
§. VIII.
Er waren bij de Ouden ook andere soorten sprongen en springspelen in gebruik, die met het Olympische springspel, voor zover een sprong een sprong is, verwant waren; waarover wij nu niet zullen handelen: alleenlijk kunnen wij de sprong op gezalfde leren zakken, gevuld met wijn, niet over het hoofd zien, van welk spel en de omstandigheden daarvan de eerdergenoemde Mercurialis ons dit bericht geeft: "er waren ook die, enzovoort."
“Er waren ook die met de voeten op gezalfde leren zakken, met wijn gevuld, sprongen: onder welke degenen voor overwinnaars werden gehouden, die zich zo behendig konden gedragen, dat ze vanwege de gladheid niet op de aarde vielen: en deze droegen als overwinningsprijs de leren zak met wijn weg. Maar wie met zijn achterwerk op de aarde stortte, wekte bij de toeschouwers een vermakelijk gelach op. Dit werd nu van oudsher met name waargenomen in spelen die aan Bacchus gewijd waren, die 'askoliasmos' genoemd werden, waarin leren zakken, uit geitenleer gemaakt, met sprongen getrapt werden, uit verachting voor de geiten, omdat ze de wijngaard beschadigd hadden. Hierover spreekt Aristophanes in Pluto: 'spring hier
Boek - pag. 300
in de open lucht op de leren zak'. Of laten we het liever in dichtvorm schikken en voorstellen, dan krijgt het deze gedaante:
Komaan, tevoorschijn met nieuwe moed,
De vacht behuppeld met de voet.
En Eubulus bij de uitlegger van Aristophanes:
Dat is: de leren zak in het midden leggend, spring er dan op, maar lach wel dapper om wie er op de grond afvalt. Hiervan rept ook Virgilius in de Georgica, 2, vers 383:
'en vrolijk tussen de bekers
sprongen zij in de zachte weiden op de ingevette zakken.'
Dat is:
Terwijl ze, al vrolijk van de wijn, al zongen,
En in de zachte weide op gladde zakken sprongen.
Maar men moet weten, dat wat bij Julius Pollux als 'op een leren zak springen' geschreven is, zowel over dezen gezegd werd als over degenen die, met één voet opgetild en de andere op de grond, sprongen bij de Ouden. Tot zover Mercurialis, die ook een afbeelding van Petrus Stephanonius heeft meegedeeld, bij hem te vinden op pagina 146.
Wie ondertussen iets meer wenst te weten over de sprong op de leren zakken, zie wat Francis Rous zeer geleerd heeft aangetekend (Fr. Rous, Attische Oudheden, boek 2, hoofdstuk 11).