Boek - pag. 382
VIJFDE HOOFDSTUK.
De eigenlijke prijs was de kroon. Vroeger waren dit ronde kransen, die van verschillende materialen waren, maar bij de Spelen van takken of loof. In de vier grote Griekse Spelen werden ze gebruikt, maar wel verschillend naargelang hun verscheidenheid. Appelblad, appeltwijgen, ja zelfs appels werden hier gebruikt. Ook olijftakken. Hoe moet men begrijpen dat Daikles als eerste daarmee gekroond is, terwijl anderen Herkules, en weer anderen Coroebus noemen. Het materiaal van de kroon was het loof van de boom die 'wilde olijfboom' wordt genoemd. Deze werd daarom 'mooie-kronen-boom' genoemd. Ook 'mooie olijfboom'. Hij werd heilig genoemd. De kroonolijf was vroeger niet in Elis, of bij Olympia, maar werd er door Herkules gebracht. Iphitus kweekte ze verder op. Hoe de gedaante van de olijfkrans was. De verscheidenheid van de oorlogskronen bij de Romeinen. De Olympische kroon en de triomfkroon hadden waarschijnlijk eenzelfde gedaante. Hoe deze kroon de overwinnaars op het hoofd werd gezet. De plaats waar, en de tafels waarop hij stond. Hoe bij de Grieken en de Romeinen. Wat 'eindstreep' hier betekent. Kronen werden ook hoog opgehangen. Bijzondere gebaren van de overwinnaars bij het ontvangen van de kroon. Het haasten naar de kroonplaats. De slimheid hierin van de paarden van keizer Claudius. De Rutumenapoort of Ratumenapoort. Het uitstrekken naar de kroon, en het grijpen ervan. Het opzetten van de kroon. Door wie dat gebeurde.
Boek - pag. 383
§ 1
Nu komen wij dan tot de eigenlijke prijs van de voltooide strijd en de behaalde zege, namelijk de zo zeer vermaarde en met zijn naam en glans de wereld verlokkende en verbazende KROON. KROON, zeg ik, die bijna alle tongen heeft doen spreken, en alle pennen en griffels werk om te schrijven heeft bezorgd.
§ 2
KRONEN waren vroeger ronde KRANSEN, gemaakt uit een enkele in het rond gebogen tak met zijn bladeren, of uit bepaald loof, bladeren en groen die om een rondte gevlochten waren; of purperen of andersgekleurde windsels, banden, zwachtels, die diademen of tiara's genoemd werden; geschikt om de kruin van het hoofd te omvangen. De eerste soort komt hier in aanmerking, waarom niet alleen de kroon, maar ook de spelen te OLYMPIA 'gekroond' en 'kroonspelen' werden genoemd, zoals Faber aantoont (Faber Agon. boek 2, hoofdstuk 22).
§ 3
In alle vier de grote Griekse Spelen, te weten de Olympische, Isthmische, Nemeïsche en Pythische, werden na verloop van tijd de overwinnaars zulke kronen, doch van bijzonder loof gemaakt, opgezet: zoals blijkt uit dit vers van Archias (Archias Antholog.):
Dat is:
Vier spelen acht de Griek als hoog en heilig,
Twee zijn voor hoge goden, twee voor stervelingen.
Boek - pag. 384
Jupiter, Apollo, dan Palaemon en Archemorus:
De prijzen zijn olijf, en appels, selderij, en voor
Het vierde pijnboomloof.
Wat Lucianus als volgt heeft uitgedrukt (Lucianus Dialoog over de gymnastiek):
Dat is: bij de Olympische Spelen werd een krans van wilde olijf, bij de Isthmische van pijnboomloof, bij de Nemeïsche van selderijgroen gevlochten, en bij de Pythische werden aan de goden gewijde appels (als prijs voor de overwinnaar) aangeboden. Onder die appels versta ik een krans gebogen uit een appeltwijg, of gevlochten uit appelblad met daarin appels gemengd: welke appels, granaatappels, citroenen, perziken, of dergelijke geweest kunnen zijn, wier loof laurierachtig is, en wier vrucht sierlijk en afstekend is. Maar ook als het anders was, namelijk dat slechts de appels afzonderlijk bedoeld zijn, dan blijft het toch zeker dat drie van de grote Griekse spelen op een bepaald moment een kroon of krans aan de overwinnaars hebben toegekend.
§ 4
Hoe dan ook, men heeft ook soms in het Olympisch veld de overwinnaar appels, hetzij afzonderlijk, hetzij het loof en de vrucht ervan tot een krans gevlochten (wat ik verkies), gegeven. Echter, volgens het verhaal van Phlegon (Phlegon in Fragmenten), kreeg IPHITUS op zijn vraag van de Pythische priesteres, sprekend namens haar orakel, tot antwoord: 'Iphitus, stel niet langer de vrucht van de appelboom als prijs voor de overwinning.' En voegde daaraan toe:
Boek - pag. 385
Dat is:
Maar krans en kroon het hoofd met wilde olijfbladeren,
Waarin de spin haar fijngesponnen draden weeft.
Dit bevel heeft IPHITUS uitgevoerd, want toen hij weer thuis was gekomen, of, om Griekse woorden te gebruiken, 'toen hij terugkwam in Olympia, zag hij, terwijl er vele wilde olijfbomen in de heilige plaats waren, er één die met spinnenwebben bedekt was, en deze ommuurde hij. En van deze werd de kroon aan de overwinnaars gegeven.' De eerste die nu gekroond werd, was Daikles de Messeniër, die tijdens de zevende Olympiade de wedloop had gewonnen. Zie dit ook vermeld bij Faber (Faber Agon. boek 3, hoofdstuk 23). IPHITUS had deze vraag nu aan APOLLO gesteld op dezelfde Olympiade, namelijk na het herstel van de spelen door hemzelf, zoals wij eerder uit Phlegon hebben gezegd (boek 1, hoofdstuk 2, laatste §).
§ 5
DAIKLES wordt hier gezegd de eerste te zijn die gekroond is met de olijfkrans, terwijl ondertussen blijkt, of tenminste gezegd wordt, dat HERCULES, te weten de Ideïsche, daar allereerst bij zijn overwinning mee gekroond is (Pausanias boek 5): zoals het ook ervoor gehouden moet worden (Paschalius de Coronis boek 6, hoofdstuk 17, aan het einde), dat in enige navolgende spelen de overwinnaars daarmee, naar het voorbeeld van HERCULES, gekroond zijn geworden (Faber Agon. boek 2, hoofdstuk 22). HERCULES had nu weliswaar jonge planten van die olijven ingebracht en geplant, maar die schijnen, alsof ze in een andere aarde en onder een hetere hemel overgebracht waren, weinig gedijd en gegroeid te hebben, maar mettertijd bijna verdwenen te zijn. Daarom keerde men, naar onze mening, terug tot het geven van appels of appelkransen. Echter, IPHITUS, zo lang na HER-
Boek - pag. 386
CULES' leven, vond op aanwijzing van het Pythische orakel op dezelfde Olympiade nog een overgebleven twijg van die olijf, die tussen andere olijven groende, en heeft die op de zevende Olympiade gebruikt om er DAIKLES mee te kronen, en heeft die ongetwijfeld naderhand met nieuwe ijver laten opkweken, opdat ze voortaan voor de kroning van de overwinnaars kon dienen.
§ 6
En zo verdwijnt de moeilijkheid dat DAIKLES als eerste met de olijf gekroond zou zijn, terwijl HERCULES en anderen er toch eerder mee gepronkt hadden. Maar het is twijfelachtiger dat DAIKLES de eerst gekroonde, namelijk met de olijf, zou zijn geweest, terwijl Agellius zegt dat MILO van Croton in de eerste Olympiade gekroond is geworden. Zo luiden zijn woorden (A. Gellius Noctes Atticae boek 15, hoofdstuk 16): 'Milo van Croton, een beroemde atleet, van wie in de kronieken geschreven staat dat hij in de eerste Olympiade gekroond is, enzovoort.' Evenals dat andere getuigen dat de Eleïsche kok COROEBUS de eerste kroon heeft weggedragen. P. Faber acht het de moeite niet waard, of heeft (Faber Agon. boek 2, hoofdstuk 23) er noch tijd noch lust toe om er zijn hoofd over te breken, hoe deze dingen namelijk met elkaar kunnen kloppen. En de man heeft groot gelijk, als iemand die wist hoe verschillend schrijvers wel gewoon zijn de dingen verschillend, en elkaar tegensprekend, te verhalen. Deze met elkaar in overeenstemming te willen brengen, geldt evenveel als pogen de Moor wit te wassen. Evenwel lijkt het ons dat in het huidige geval met kleine moeite een overeenstemming van de zaken te vinden is: namelijk op de volgende manier, dat wij DAIKLES,
Boek - pag. 387
MILO en COROEBUS stellen tegelijk geleefd te hebben, zoals het ook zeker is dat de geschiedenissen het zo stellen, na het herstel door IPHITUS. Als dit is vastgesteld, kan het niet anders zijn dan dat DAIKLES als eerste gekroond is, want zijn kroning gebeurde op de zevende Olympiade. Na hem volgde, met betrekking tot deze drie, niet MILO, maar COROEBUS, aangezien die op de achtentwintigste Olympiade gekroond is, zoals elders is aangetoond. Omdat nu die achtentwintigste Olympiade de eerste was waarvan de OLYMPIADEN, of Olympiade-telling, een vaste basis en aanvang namen, zoals ook elders is gemeld, wordt COROEBUS gezegd als eerste gekroond te zijn, omdat hij namelijk op de eerste Olympiade waarvan de telling aanving, met dat praalsieraad versierd is geworden. Maar wat MILO aangaat, die veel later leefde, namelijk ten tijde van TARQUINIUS SUPERBUS, de zevende Romeinse koning (zie Solinus, hoofdstuk 4), daar verdwijnt alle moeilijkheid wanneer men met Petrus Mosellanus denkt (P. Mosellanus bij Gellius, op de aangehaalde plaats), dat in de boeken van Gellius een grove fout staat, namelijk 'eerste' voor 'eenenzestigste'. TARQUINIUS de genoemde was immers in het vierde jaar van die Olympiade met regeren begonnen, en op de spelen daarvan, drie jaar later, kan MILO de zege hebben weggedragen.
§ 7
Voorts dient het ons doel dat we nader onderzoeken 1. het materiaal waaruit de kroon gemaakt was, 2. de vorm of het model ervan, 3. de wijze waarop de overwinnaar die op zijn hoofd en in zijn eigendom verkreeg.
§ 8
Het materiaal waaruit hij was, was de boom die in het Grieks 'wilde olijfboom' werd genoemd. Dat blijkt afdoende uit de woorden van Pausanias (Pausanias boek 5), als hij verhaalt dat HERCULES, nadat hij zijn Ideïsche broeders had laten deelnemen aan een wedstrijdspel, de overwinnaar kroonde 'met de twijg', dat is, de kroon van de 'wilde olijfboom'. Ja, men zegt dat Hercules er zelf mee gekroond is, want, zoals Statius zingt (Statius Thebaïs boek 6, vers 5, 6, 7):
Eerst streed op de velden van Pisa
De vrome Alcides voor deze eer voor Pelops,
En wrong het stof uit zijn haar met de wilde olijf.
Dat is
Hercules, die vrome held, weleer zo vermaard,
Streed deze strijd ter ere en lijkdienst van Pelops,
En drukte om 't zwetend hoofd de krans van wilde olijven.
Waarover Paschalius zegt (Paschalius boek 6, hoofdstuk 19): 'wilde olijf, dat is, wilde olijf, is de 'wilde olijfboom'.' Dit blijkt verder uit de uitspraak van Aristophanes (Aristophanes in Plutarchus):
'O Zeus, roep de Olympische overwinnaars uit, hen sierlijk getooid met een kroon van wilde olijf.'
Dat is:
Jupiter roept uit, stel de Olympische overwinnaars tentoon,
Sierlijk uitgedost met een kroon van wilde olijf.
zoals blijkt uit het feit dat Alpheus bij Philostratus (Philostratus in Beeldende Kunst) aan PELOPS een kroon van dit geboomte als een Olympische kroon toeschrijft; alsook uit het feit dat SOLON (Lucianus over de Gymnastiek), op vraag van ANACHARSIS de Scyth naar de prijs van de Olympische spelen, als antwoord geeft: een kroon van loof van de wilde olijfboom. Tyrius Maximus geeft dit eveneens te kennen (Tyrius Maximus redevoering: Wat is het doel van de filosofie?), zoals dit ook blijkt uit het verhaal van Dio (Dio in Nero), die zegt dat NERO bij zijn terugkeer uit Griekenland in Ro-
Boek - pag. 388
(lege pagina, inhoud van deze pagina is de vertaling van de vorige pagina's tekst, de kopjes zijn verplaatst)
Boek - pag. 389
me binnentrok, 'gekroond met een kroon van wilde olijf'.
§ 9
De 'wilde olijfboom' nu was niets anders dan een wilde olijfboom. Hesychius (Hesychius in 'wilde olijfboom'): 'wilde olijfboom betekent een wilde olijfboom'. Zo vat ook Theophrastus het op, als hij het voor onmogelijk houdt (Theophrastus boek 2 over de planten) 'een wilde olijfboom tot een olijfboom te maken', dat is, de wilde te veranderen in een tamme, echte olijfboom. Dit blijkt ook duidelijk uit de uitlegger van Apollonius Rhodius (Apollonius Rhodius en zijn uitlegger), die de woorden van deze schrijver, 'staf van wilde-olijfhout', verklaart met: 'van wilde-olijfhout'. Voorts blijkt dit mede uit de zojuist aangehaalde passage van Statius, en wat Paschalius daarover gezegd heeft, namelijk dat Statius' 'wilde olijf' de 'wilde olijfboom' was, en bijgevolg dat de 'wilde olijfboom' niets anders kon zijn dan de 'wilde' olijf.
§ 10
Voorts werd deze soort wilde olijf, die de naam 'wilde olijfboom' droeg, de bijnaam 'mooie-kronen-boom' gegeven, dat is, 'schoon, geschikt voor kronen'. Van deze bijnaam maakt Pausanias weer gewag (Pausanias boek 5):
'Daarachter is aan de rechterzijde een bijzondere plant ontsproten, de wilde olijfboom, genaamd de 'olijf mooi voor kronen', of 'mooie kroonolijf'.' En het staat vast dat men daarvan kronen zou geven aan de Olympische overwinnaars. Dit wil ook Aristoteles zeggen (Aristoteles, Wonderbaarlijke zaken 49): 'in Panslethion is een olijfboom die Kallistephanos, 'mooie-kronen-boom', wordt genoemd.' Terloops zeggen wij,
Boek - pag. 390
dat ook deze zelfde wilde of veldolijf de naam 'mooie olijfboom' droeg, zoals Paschalius getuigt (Paschalius de Coronis boek 6, hoofdstuk 19). (*) Dit wees erop dat dit geboomte van een mooie gestalte was wat betreft stam, twijg en bladeren. Hierom zegt Paschalius: 'En de 'kotinos'-boom werd inderdaad ook 'Mooie Olijfboom' genoemd, en werd gerekend tot de meest aanzienlijke bomen.' Wat hij ook uit Theophrastus gaat bewijzen (Theophrastus boek 5 over de planten, hoofdstuk 3). Tot de schoonheid behoorde de rechtheid van de twijgen, alsook hun gladde stevigheid, en het fraaie model van de bladeren. Om het eerste en het tweede werden ook koningsscepters, herdersstaven en knotsen van helden ervan gemaakt, die de naam 'van wilde-olijfhout' droegen (Paschalius boek 6, hoofdstuk 19). Maar om het fraaie model van de bladeren, hetzij aan de twijgen, dienstig om met een enkele ombuiging een sierlijke erekroon te vormen, hetzij afzonderlijk, en om tot een kroon gevlochten te worden, mocht het geboomte ook wel met recht 'mooie olijf', ja, zoals hiervoor gezien, 'mooie kroonolijf' heten. Deze kroonolijf werd ook heilig genoemd (Aristoteles in Wonderbaarlijke overleveringen). Voorts beschrijft Aristoteles ons, en uit hem de Scholiast van Aristophanes (Scholiast van Aristophanes), de geschiktheid en schoonheid van dit geboomte voor het maken van kronen, en onthult tegelijkertijd de bijzondere en van an-
(*) Dit woord gebruikt de Apostel in Romeinen 11:24: 'indien gij afgehouwen zijt uit den Olijf-boom, die van nature wild was ('wilde olijfboom'), en tegen de nature in den goeden Olijfboom ingeëntet zijt ('goede olijfboom').' Grotius zegt erover: 'Paulus heeft dit woord bedacht om het beter tegenover 'wilde olijfboom' te kunnen stellen, terwijl hij tegelijk, zoals vaak in dit hele betoog, verwijst naar Psalm 52:10, waar in het Grieks 'vruchtdragende olijfboom' staat.' Onze vertalers hebben het vertaald als: een groene olijfboom.
Boek - pag. 391
dere olijven verschillende hoedanigheid, aldus: zijn bladeren staan recht tegenovergesteld aan de natuur en bladeren van andere olijven. Hij laat zijn takken neerzakken als de mirte, zijnde recht geschikt om er kronen van te maken. Het neerzakken en de daaruit volgende ombuiging van de takken zorgt voor ronding, en de averechtse stand van de bladeren deed deze toonbaar opstaan: en beide zeiden dat ze, bijna vanzelf kronen uitbeeldend, gemaakt waren voor het maken van kronen.
§ 11
Deze 'Kroonolijf' was, naar men zegt, vroeger niet in ELIS, en nog minder in de buurt van OLYMPIA. Nee! HERCULES zou die ingebracht en geplant hebben, waarbij hij hem uit het noorden, van de Donau-rivier haalde, en plantte bij het Olympisch veld bij de rivier HILISSUS. Daar heeft deze met verloop van jaren, en in het bijzonder nadat, zoals wij boven aangaven, IPHITUS rond de zesde en zevende Olympische spelen ervoor gezorgd had om hem zorgvuldig op te kweken, een groot bos voortgebracht. Deze dingen worden ons verhaald door zowel Aristoteles (Aristoteles op de aangehaalde plaats) als Pindarus, Pausanias en Philostratus. De eerste hiervan zegt, op de plaats waaruit wij al eerder verschillende woorden hebben gehaald:
'in Panslethion is een olijfboom, die 'mooie kroonolijf' genoemd wordt, wiens bladeren recht tegenstrijdig zijn aan de natuur
Boek - pag. 392
en de bladeren van andere olijven. Hij laat zijn takken neerhangen als de mirte, en is zeer geschikt om er kronen van te maken. Hiervan heeft Hercules genomen en in het Olympisch gebied geplant, waarvan aan de overwinnaars kronen worden gegeven. Hij staat bij de rivier Hilissus, ongeveer zestig stadiën van de rivier zelf verwijderd, en is ommuurd. Er is een grote straf ingesteld voor wie hem zou aanraken. Hiervan namen de Eleërs de kronen, die ze in het Olympisch veld aan de overwinnaars voorlegden.' Pindarus, die de lof van THERON de Agrigentiër bezingt (Pindarus Olympische Ode 3), spreekt er als volgt over:
Dat is:
de Etoliër windt om het hoofd
Met de groene banden
Van olijf, geroofd
Wel eer door de handen
Van Alcmena's Zoon
Bij de Donau-oevers
In het duistere noorden.
Pausanias verhaalt insgelijks dat HERCULES de kroonolijf van de HYPERBOREEËRS gehaald heeft, een volk boven het noorden, of de noordster, zoals de dichter Olen Lycius gezegd heeft (Olen Lycius in een hymne), en wel in zulke overvloed, tenminste door aangroei, dat zijn broeders de Ideërs van het loof ervan hun bed konden spreiden (Pausanias boek 5). Hoewel wij boven hebben aangegeven dat deze soort van
Boek - pag. 393
olijf naderhand veel verminderd en bijna geheel tenietgegaan is. Philostratus geeft voorts te kennen dat deze kroonolijf zo overvloedig is geweest, tenminste op een bepaald moment, en volgens onze gissing na de tijd van IPHITUS, dat er hele bossen uit bestonden, als hij zegt (Phylostratus in Apollonius boek 8): 'de bossen van wilde olijfbomen kroonden de overwinnaars'. Dat wil zoveel zeggen als dat er hele bossen waren van kroonolijven ten dienste en gebruik, om er materiaal voor kronen voor de overwinnaars uit te halen en daarmee hun hoofd te sieren.
§ 12
Het maaksel en de gedaante van de olijfkrans moet het onderwerp zijn van onze verdere overdenking. Om die duidelijker uit te beelden, zeggen wij vooraf dat niet alleen de kronen en kransen in het algemeen talrijk en velerlei waren, maar dat ook de oorlogskronen zeer verscheiden waren, al van oudsher. Agellius beschrijft ons tenminste zeven soorten (Agellius Noctes Atticae boek 5, hoofdstuk 6), waarvan Stewechius bij Vegetius (Stewechius bij Vegetius boek 2, hoofdstuk 7) en Sal. van Til bij Jac. Lydius (Jac. Lydius syntagma sacrum de re militari boek 6, hoofdstuk 7) ons zes ter illustratie hebben gegeven, te weten de Triomfkroon, Belegeringskroon, Burgerkroon, Muurkroon, Schanskroon of Legerkroon, en de Scheepskroon. Uit wat over deze kronen geschreven is, zien wij dat ze bij de Romeinen genoemd zijn: 1. TRIOMFKROON. 2. BELEGERINGSKROON. 3. BURGERKROON. 4. MUURKROON. 5. SCHANS- of LEGERKROON. 6. SCHEEPSKROON. De 7e, hier niet afgebeeld, heet OVATIEKROON, de mindere zegekroon. De triomfkroon werd in oude tijden gemaakt van een lauriertwijg met haar bladeren. Ze komt ons in deze prentvoorstelling voor als bestaande uit twee twijgen die met behulp van enig vlechtwerk aan de ene
Boek - pag. 394
en van enig kleinood of sieraad aan de andere zijde gebogen zijn; hoewel Paschalius wil (Paschalius boek 6, hoofdstuk 18) dat ze slechts uit één lauriertwijg bestond, in de rondte gekromd en bij de uiteinden aan elkaar gestrikt; en dat ze daarom in het enkelvoud 'laureola' (laurierkransje) genoemd zou zijn; welke benaming hij uit Cicero aanhaalt (Cicero Brieven aan vrienden boek 2, brief 10), waar hij zegt: 'dat ik slechts zoveel te doen mocht hebben als voor een laurierkransje genoeg is.' Met deze kroon werden de zegepralende veldheren versierd, die echter in latere tijden voor de zegetocht liever gouden gebruikten, zoals uit Gellius op de bovengenoemde plaats begrepen kan worden. De belegeringskroon was uit gras gevlochten en werd gegeven aan de veldheer die een belegerde stad ontzet en bevrijd had. Het gras moest precies van die plaats geplukt zijn waar de belegerden opgesloten waren geweest. De burgerkroon was uit eikenloof, of ook uit beuken, kunstig, zoals de afbeelding toont, ineen geweven. De ene burger gaf hem aan de andere burger, namelijk aan degene die hem in de strijd uit de kaken van de dood had gered, als getuige van het geredde leven en de verkregen verlossing. De muurkroon was voorzien van muurstenen die boven uitstaken, en werd door de legeraanvoerder gegeven aan degene die als eerste de muur van een bevochten stad beklom, en het hart had om er voor anderen in te springen. De legerkroon heeft palissaden, palen, die boven uitsteken, en viel ten deel aan degene die als eerste vechtend de leger vesting van de vijand binnendrong. De scheepskroon was met de 'rostra', ramstevens, of voor-einden van schepen versierd, en was de prijs voor zodanigen die als eerste bij de zeeslag in het schip van de vijand sprong. De mindere triomfkroon was van mirtenloof, ongetwijfeld naar hetzelfde maaksel als de grote
Boek - pag. 395
triomfkroon, die van laurier, zoals gezegd is, was samengesteld. Hiermee versierd ging de veldheer, die geen eigenlijke of grote triomf verdiend had, te voet de stad binnen, terwijl bij de grote triomf de zegepraler op een zege-wagen heerlijk gezeten binnenreed. Maar misschien over deze dingen elders meer.
§ 13
Wat nu de Olympische kroon betreft, uit alle omstandigheden is het waarschijnlijk dat deze hetzelfde maaksel en dezelfde gedaante heeft gehad als de triomf- of zegekroon van de veldheren. Alleen het materiaal, daar kroonolijf, hier laurier, was verschillend. En zoals Paschalius wil (Paschalius op de aangehaalde plaats) dat de laurierkroon maar uit één omgebogen twijg heeft bestaan, zo getuigt hij op dezelfde plaats dat het ook zo met de Olympische kroon gesteld was, zich daarbij in het bijzonder baserend op het verhaal van Pausanias, die zegt dat HERCULES zijn overwinnaar 'met een tak van de wilde olijfboom' omkranst heeft. Als dit zeker is, mogen we ons een kroon van kroonolijf voorstellen die uit een enkele omgebogen tak bestaat. Wat ons betreft echter, wij houden het ervoor dat zij niet altijd op dezelfde wijze bereid, noch van hetzelfde maaksel is geweest, en daarom soms wel uit twee twijgen heeft bestaan, ja, dikwijls en merendeels ook uit bladeren die kunstig ineen gevlochten waren. Om welke reden wij zo dikwijls lezen over het 'vlechten' van de kronen, wat niet goed kan plaatsvinden bij het buigen van een of twee takken, aangezien zoiets van te geringe kunst en moeite is.
§ 14
Rest ons nog te letten op de wijze waarop de overwinnaar de trotse erekroon op zijn hoofd en in zijn eigendom verkreeg. Hierbij komt in het bijzonder
Boek - pag. 396
in aanmerking te begrijpen op welke plaats en in welke staat de Olympische kronen zich bevonden, en dan met welke gebaren iedere overwinnaar tot verkrijging van de zijne kwam; en eindelijk wie hem die opzette.
§ 15
De plaats waar de kronen waren, was met name bij of binnen de verhoogde afscheiding waar de HELLANODIKEN met hun gevolg en verschillende bedienden zich ophielden. Dit lijkt zonneklaar uit wat Aelianus zegt (Aelianus Varia Historia boek 9, hoofdstuk 31): 'De atleet uit Croton, die de Olympische Spelen had gewonnen, rende naar de Hellanodiken om de kroon te ontvangen.' Die onbenoemde Crotoniër rende erheen om de kroon te ontvangen, wat aantoont dat die daar geweest moet zijn. En wij denken dat aldaar vroeger alle overwinningskronen, nadat ze eerst ter bezichtiging en ter opwekking van de strijders waren rondgedragen, gelegen hebben op verheven drievoeten en hun schijven of schotels, drie in getal, waarvan die van IPHITUS de voornaamste was (waarover elders gesproken is), en mettertijd op ivoren en gouden tafels, zoals uit Pausanias en anderen blijkt (Pausanias boek 5). Het schijnt echter ook waar te zijn dat soms, tenminste sommige kronen, in het midden, of ook wel aan het einde van het perk, waar enige van de AGONOTHETEN, BRABEUTEN, rechters en prijsuitdelers zich ophielden, tentoongesteld en vervolgens aan de overwinnenden gegeven zijn (Faber Agon. boek 2, hoofdstuk 26). Net als bij de Romeinen in hun circusspelen de prijs en kroon te zien was op, en te halen van de 'spina', de middenberm die zich in het midden van het perk bevond, en wel specifiek van bij de obelisk die aan de Maan gewijd was (Faber boek 2, hoofdstuk 27).
Boek - pag. 397
Zie H. Kipping (Kipping. Antiq. Rom. boek 2, hoofdstuk 6, § 3). Evenzo verhaalt ook Maro (Vergilius) (Vergilius Aeneis boek 5, vers 109), zinspelend op het gebruik van de Grieken, zowel in het Olympisch veld als elders, en in het bijzonder van de Romeinen in hun zojuist genoemde CIRCUS, dat AENEAS vooraf de prijzen toont en in het midden van het perk heeft laten plaatsen. Zo spreekt die roem van de Latijnse dichters, zoals elders gezegd is:
'Eerst worden de geschenken voor de ogen en in de renbaan geplaatst, in het midden de heilige drievoeten, en de groene kronen, en de palmtakken, de prijs voor de overwinnaars, en wapens, en met purper doordrenkte gewaden, en talenten zilver en goud.'
Vondel geeft dit zo weer:
Men zet de prijzen neer in het midden van de baan,
Godgewijde drievoeten, als veldtafels staand,
Goud, zilver, wapentuig, en purperen gewaden,
En zegetakken, en ook kransen, groen van blad.
Echter, met betrekking tot de CIRCUS (om daar nog een woord aan toe te voegen), moet ook in aanmerking genomen worden dat met name de palmtakken en de kronen, die voor de overwinnende wagenrenners en wagenmenners bestemd waren, voorin het perk geplaatst waren, en wel bij de dwarslijn waar de race zijn aanvang nam en waarheen deze, na de zwaai om de keerpalen en vooral bij de zevende ronde, eindigde. Die lijn, die de Grieken 'witte lijn' (waarover elders gesproken is) noemden, en ook 'einde', 'eindpaal', 'keerpaal', 'startlijn', 'start', en de Romeinen 'krijt', en ook 'hiel' of 'het achterste' noemden. Vandaar vinden wij dat 'krijt' en 'hiel' bij de schrijvers oneigenlijk en verbloemd gebruikt worden, om niet alleen de palmtak en de kroon zelf, maar zelfs alle loon, ja het einde en de uitkomst, zelfs van het leven, aan te duiden. Propertius:
Boek - pag. 398
'--- dit is de laatste krijtstreep voor mijn race.' (Propertius)
Dat is:
Dit is de laatste krijtstreep voor mijn loop,
't Einde van mijn wegen, en van al mijn hoop.
Varro (Varro):
'Het lot staat niemand toe zijn wagen, losgelaten uit de diepste startbox, ongeschonden over de witte vlakte naar de eindstreep te laten glijden.'
Dat is:
Het lot laat niemand toe zijn eigen wagenwiel,
Vanuit de startbox gestort, zo door het perk te mennen,
Dat hij geen tegenslag of ramp zou leren kennen,
En zacht en ongedeerd de witte hiel bereiken.
Wie hier meer over wenst, zie het uitvoerige betoog van Claudius Salmasius (Salmasius bij Solinus hoofdstuk 45), en merk op dat hij met redenen beweert dat het woord 'Calx' hier een 'hiel' of 'hak' betekent, en bij gelijkenis 'het einde' of 'laatste', en geen kalk (hoewel het die betekenis in het Latijn ook heeft). Dit, ofschoon sommigen het in dit opzicht zo verklaard hebben, menend dat de bovengenoemde lijn zijn witheid verkreeg van krijt of kalk, en dat ze daarom onverschillig 'Creta' of 'Calx' genoemd zou kunnen worden. Maar de kronen werden ook soms vanaf een verhoging op- en afgehangen, opdat ze zo beter zichtbaar zouden zijn en meer begeerte, vuur en drift in de wedstrijdspelers zouden opwekken. Dit blijkt uit wat Plutarchus (Plutarchus, Over praatziekte) als volgt betoogt: 'De trainer Hippomachus zei (toen sommigen een zeer lange man met lange armen prezen als zeer geschikt voor het vuistgevecht), 'zeker, als het erom ging de opgehangen kroon naar beneden te trekken'.' Zie hierover breder wat Faber (Faber op de aangehaalde plaats), en uit hem Lydius (Lydius Agon. Sacr. hoofdstuk 1), aangetekend heeft.Boek - pag. 399
§ 16
De gebaren van de overwinnaars, nu tot overwinnaar verklaard en gerechtigd tot de kroon, waren bijzonder. Namelijk, zodra zij meenden de kroon te zullen ontvangen, was hun eerste gebaar dat zij met grote drift naar de plaats van de kroon stormden. Dit blijkt uit het gedrag van die Crotoniër, waar wij zojuist van spraken, alsook uit dat van de Parthenoppiër ARCAS, toen hij zijn tegenstrever JOLAS voorbijgestreefd was. Want direct daarna, volgens Statius (Statius Thebaïs boek 6, vers 642, 643):
'Met geschreeuw stormde hij door de poorten, met geschreeuw rende hij terug voor de leider, en met de gedrukte handpalm verlichtte hij zijn zuchten.'
Anderen lezen: met de gegrepen handpalm.
Dat is:
Hij ging met groot geroep op de deuren afstormen,
Met groot geroep keerde hij terug, en kwam staan
Voor de leider van de strijd, en greep direct vast
Aan de palmtak, en verkwikte zijn bijna bezweken ziel.
Deze flair en allure zouden ook de paarden van keizer CLAUDIUS, in het bijzonder door het beleid van het paard CORAX, hebben getoond, naar het verhaal van Solinus en Plinius (Solinus hoofdstuk 45). De eerstgenoemde spreekt als volgt: 'Het vernuft van paarden hebben ook de circuspaarden van Keizer Claudius bewezen, toen het vierspan, nadat de menner was afgeworpen, de concurrerende wagens niet minder met list dan met snelheid voorbijstreefde; en na het voltooien van de volledige race uit eigen beweging bij de plaats van de palmtak bleef staan, alsof ze de prijs van de overwinning wilden eisen.
Boek - pag. 400
Ook is het vierspan, na het afwerpen van de menner, die zij Rutumanna noemden, de strijdarena verlatend, naar het Capitool gestormd, en bleef niet eerder staan, hoewel belemmerd door tegenliggers, dan nadat het de Tarpeïsche Jupiter driemaal rechtsom had omcirkeld.' Plinius, volgens de verbetering van Salmasius (Plinius Natuurlijke Historie boek 8, hoofdstuk 42): 'Tijdens de eeuwfeestspelen in de circus van keizer Claudius, nadat de menner van de witte partij in de startboxen was afgeworpen, namen de paarden onder leiding van Corax de leiding, behaalden de eerste plaats, de weg blokkerend, uitwijkend, en alles tegen de rivalen doend wat ze hadden moeten doen onder leiding van de meest ervaren menner. Alsof ze zich schaamden dat de kunsten van mensen door paarden werden overtroffen, bleven ze na het voltooien van de verplichte race bij de keerpaal staan. Een groter voorteken was het bij de ouden dat bij de circusspelen, na het afwerpen van de menner, de paarden naar het Capitool renden en de tempel drie keer omcirkelden. Maar het allergrootste voorteken was dat ze vanuit Veii daar aankwamen met de palmtak en de kroon, nadat Ratumena, die daar had gewonnen, was afgeworpen.' Dat is: 'op de circus-eeuwfeesten van Keizer Claudius hebben de witte paarden, aangevoerd door het paard Corax, nadat de wagenmenner was afgeworpen, de overwinning behaald. Ze namen de leiding, hielden tegenstanders tegen, schoten vooruit, en deden alles tegen de mededingers (alsof ze zich schaamden dat de kunsten van de mens door paarden werden overwonnen) wat ze moesten doen alsof er een uiterst bekwame menner op had gestaan. Na de voltooide race zijn ze bij de keerpaal blijven staan. Een groter wonder was het dat bij de circusspelen de paarden, na de menner te hebben afgeworpen,
Boek - pag. 401
naar het Capitool stormden en driemaal rond die tempel liepen. Maar het allergrootste was dat ze van Veii hier aankwamen met de palmtak en de kroon, na het afwerpen van Ratumena, die aldaar gewonnen had.' Pompeius Festus heeft ook van dit geval gewag gemaakt (Festus over de Ratumenapoort), en te kennen gegeven dat naar die afgeworpen Rutumenna, die hij Ratumena noemt, een poort is vernoemd. 'De Ratumenapoort is vernoemd naar hem, een jongeman van Etruskische afkomst die, als overwinnaar in een wagenrenwedstrijd, te Veii door zijn op hol geslagen paarden van de wagen werd geworpen en in Rome stierf. Van deze paarden wordt gezegd dat ze niet eerder stopten dan toen ze het Capitool bereikten en de terracotta vierspannen zagen die op het fronton van de tempel van Jupiter stonden enz.'
§ 17
Ten tweede: het tweede gebaar was dat zij, nu bij de plaats van de palmtak en kroon gekomen, zich uitstrekten om deze te grijpen en naar zich toe te trekken. Dit toont op zijn minst de vurige begeerte om de kroon te hebben, en misschien tegelijkertijd dat ze in sommige gevallen, vooral als de kroon hoog lag of opgehangen was, deze daadwerkelijk hebben gepakt en van bovenaf hebben gehaald. Dit noemden de Grieken niet slechts 'ontvangen' en 'nemen' (hierop zinspelend zegt de Apostel in Filippenzen 3:12: 'niet dat ik het alreeds gekregen heb, of alreeds volmaakt ben, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht'; en in 1 Timotheüs 6:12: 'strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven'. Zie Lydius' Agon. Sacr. hfdst. 1; Adam's Observ. Theol. Philol. p. 370),
Boek - pag. 402
zoals uit Pollux (Pollux Onomasticon boek 3, hoofdstuk 3), Aelianus (Aelianus Varia Historia boek 9, hoofdstuk 31) en anderen blijkt, maar ook 'roven' (naar het zeggen van Chrysostomus (Chrysostomus over Romeinen hfdst. 7) en Procopius (Procopius over Jesaja 44)) om de genoemde begeerte, ijver, drift en kracht uit te drukken, waardoor alleen, en als het ware door roof en geweld, de overwinning, en bijgevolg de kroon, te verkrijgen was. Dat de overwinnaars zich zo uitstrekten om de kroon te grijpen, naar zich toe te scheuren, ja te roven, is zeer duidelijk te merken, zowel uit de voorbeelden van de zojuist genoemde Crotoniër, die zich naar de spelbestuurders haastte 'om de kroon te grijpen', zoals Aelianus op de genoemde plaats zegt, als uit de schampere opmerking die HIPPOMACHUS maakte over die grote en langarmige man, die hij zei geschikt te zijn 'als het erom ging de opgehangen kroon naar beneden te trekken'. Zie hierover ook boven. Alsook uit die ARCAS, die met gedruis naar de deuren stormde en zijn hijgende adem verkwikte 'met de gegrepen (of gedrukte) palmtak', ofwel de gegrepen, naar zich toe gescheurde, of gedrukte palmtak en kroon. Gedrukt, namelijk, omdat hij die, nadat hij hem naar zich toe gescheurd had, vasthoudend drukte. Hiervan is in de voorgaande paragraaf ook melding gemaakt. Hierop doelt ook wat Statius aan het einde van deze verzen zegt (Statius, treurdicht op zijn vader, vers 221 e.v.):
'Zo kijkt de vader naar zijn zoon die in de Olympische arena strijdt; hij lijdt zelf meer, dieper in zijn hart wordt hij gekweld. De toeschouwers letten op, maar er wordt meer naar Acetes gekeken, terwijl hij zijn ogen steeds weer met stof bedelft en zweert te sterven met de gegrepen kroon in zijn hand.'
Dat is:
Zo ziet de vader zijn zoon in 't Olympisch strijdperk vechten,
En draagt de meeste last, en voelt de grootste pijn.
Boek - pag. 403
De banken merken dit: Acetes in de schijn,
Alsof hij 't stof verzwelgt, om 't aangezicht te bevlekken,
En wenst met ernst, om na de gegrepen kroon
De ziel uit te blazen, stond zo alleen ten toon.
Waar hij uitdrukkelijk zegt, 'prensa corona', 'de gegrepen' of 'geroofde kroon'; omdat de overwinnaar deze greep, en als met grote drift naar zich toe trok, en als het ware roofde. Hierop doelt ook Cassiodorus (Cassiodorus Variae boek 11, hoofdstuk 53): 'Indien de Olympische wagenmenner de prijzen grijpt, rooft, na de inspanningen.' Ook Petrus Chrysologus (P. Chrysologus sermoen 153), als hij van de kinderen van Bethlehem zegt: 'onkundig nemen zij de palmtak op, onwetend roven zij de kronen: dus zoals de ongeschonden maagdelijkheid de Moeder eer bracht, zo heeft de kinderlijke onwetendheid van het lijden de palmen en kronen van het martelaarschap gegrepen (geroofd).' Zie dit ook aangehaald door Faber en Lydius.
§ 18
Nu nog iets over het opzetten van de kroon. Want hoewel de strijders hijgden, en de tot overwinnaar verklaarden naar de kroon renden, er bij sommige gelegenheden ook naar grepen, en ze al grijpend naar zich toe haalden en roofden, moesten zij toch gekroond worden, dat is, de kroon moest hun worden opgezet. Naar het zeggen van Paschalius (Paschalius boek 6, hoofdstuk 22) werd dit wel verricht door de eigen handen van de rechters. Dit bewijst hij uit deze verzen van Pindarus (Pindarus Olympische Ode 3), die reeds boven in § 2 voor een gedeelte zijn aangehaald:
Boek - pag. 404
'Om aan hem te voldoen volgens de wetten van Hercules, had zich toen een rechtvaardig man, een van de Hellanodiken, van Etolische afkomst, gereedgemaakt (iedereen kwam kijken), die Theron het hoofd omwindt met de groene banden van olijf, weleer door de handen van Alcmena's zoon geroofd bij de oevers van de Ister in het duistere noorden.'
Dat is:
Om hem te voldoen
Naar Hercules' wetten,
Had zich toen
Gereed gezet
Een rechtvaardig man,
Een der Hellanodiken,
Een Etoliër van
Afkomst (ieder kwam kijken)
Die windt Therons hoofd
Met de groene banden,
Van olijf, geroofd
Weleer door de handen
Van Alcmena's Zoon,
Bij de Donau-oevers
In het duistere noorden.
Zie daar een HELLANODYK, een spelbestuurder en rechter, van natie een Etoliër, die de overwinnende THERON de kroon 'boven de wenkbrauwen om de haren werpt'. Want zo luiden de eigen woorden van de dichter, die de kroon of krans ook zeer nadrukkelijk 'het goudgele sieraad van de olijftak' noemt. Maar het kan ook zijn dat, als de dichter dit werk aan de HELLANODYK toeschrijft, hij niet wil dat wij begrijpen dat de HELLANODYK het met zijn
Boek - pag. 405
eigen handen zou hebben gedaan (want die woorden gebruikt hij niet, hoewel Paschalius het zo verstaat), maar door zijn gebod en bevel, en dan vervolgens door de handen van de 'Heraut', de omroeper, die de eigenlijke opzetter van de kroon was. Zoals uit deze passage van Cicero blijkt, die wij al eerder hebben vermeld (Cicero, Brieven aan Vrienden, boek 5, brief 12): 'laat ten slotte velen het afkeuren en zeggen dat de omroepers bij de atletiekspelen bescheidener zijn, die, nadat zij de andere overwinnaars de kronen hebben opgezet en hun namen met luide stem hebben uitgeroepen, enz.' Door bevel dan van de HELLANODYK (misschien ook soms door diens eigen hand), en door de daadwerkelijke opzetting door de omroeper, kreeg de overwinnaar de krans om het hoofd, en werd er deelgenoot, eigenaar en bezitter van als zijn rechtmatig eigen goed, en praalde voorts ermee als zijn schoonste sieraad en hoogste roem.