Boek - pag. 365
VIERDE HOOFDSTUK.
De Prijzen: verscheidene, kleinere en grotere.
Kleinere als eerstelingen. Witte steen. Of die wel waarlijk aan de overwinnaars gegeven werd. Zij ontvingen nieuwe gewaden. Wat paragandae zijn. Palm-telgen hun gegeven ten teken van overwinning. Waren telgen met hun vrucht. Sommigen menen dat die overgeving 'geving' werd genoemd. Anderen verstaan er wat anders onder. Heilige Spelen en de geschenken daarvan. Geschenken van de mindere Spelen. Palmtakken tentoongesteld. Rezen uit een schijf. Mercurialis' afbeeldingen. Oorsprong van dit gebruik der palmtakken. Waarom juist van palmbomen. Aanmaning tot handgeklap en gejuich. Het klappen en juichen van het volk zelf. Bestrooiing met bladeren en bloemen.
§. I.
Nu moeten we handelen over de prijzen en de omstandigheden, begeleiding, gevolgen en vruchten daarvan.
§. II.
Ten opzichte van de prijzen moeten we wederom onderscheid maken tussen de kleinere en de grootste, van welke grootste de kleinere als onderpanden, voorboden en eerstelingen te beschouwen zijn.
Boek - pag. 366
§. III.
We zullen nu onder deze eerstelingen niet tellen het tot overwinnaar verklaard, zodanig uitgeroepen, genoemd en opgedragen te worden: hoewel dit alles zowel van de ene zijde een uitnemende eer, als van de andere een gewisse verzekering tot de hoge prijs was: maar alleen de daadwerkelijke zaken, die hun, nu voor de rechters en prijsuitdelers verschenen, aangereikt werden.
§. IV.
Onder deze plaatsen we dan ten eerste (namelijk in de volgorde van opsomming, niet wetende of ook deze zelfde volgorde, die we voorts denken aan te houden, in de praktijk werd aangehouden) dat misschien aan de Olympische overwinnaar, of tenminste nu of dan aan deze of gene overwinnaars in andere schouwburgen (Lydius, Agonistica, hoofdstuk 39), een (Wanneer in Openbaring 2:17 de verheerlijkte Christus de overwinnaar belooft een ‘witte keursteen’ te geven, verschillen de uitleggers sterk over wat men daaronder moet verstaan en waarop gezinspeeld wordt. We mengen ons niet in die twist, maar merken alleen op dat sommigen hier het oog hebben op de witte steen die men de Olympische overwinnaar gaf. Men zie Arethas van Caesarea, Pererius, Hammondus en anderen. Ook kan men over de ‘witte steen’ nalezen wat Saldenus in zijn Otia Theologica, boek 1, oefening 8, M. Chr. Dav. Funccius in zijn Dissertatie over de witte stemsteen en meer van dergelijke geleerde helden daarover geleerd geschreven hebben.) witte stemsteen werd gegeven, dat is, een zodanige steen als men in de oude tijden gebruikte om zijn oordeel of stem (zoals wij zeggen) te geven over een zaak, of voor de verkiezing van overheidspersonen, in welk laatste opzicht zij de naam van ‘keursteen’ (omdat men er de keur, de verkiezing, mee deed) mag dragen. Wit was hij, om de overwinnaar van de overwinning en prijs te verzekeren, nadat de witte kleur aan overwinning en voorspoed was toegekend, in tegenstelling tot de zwarte, die weigering, nederlaag en veroordeling betekende. Ongetwijfeld stond op deze witte steen de naam van de overwinnaar met de nieuwe eretitel van Olympisch winnaar of heilige winnaar, dat is, overwinnaar van dat of dat spel, of misschien nog een bijzondere naam en lof (die niemand aanvankelijk, behalve degene die hem ontving, kon weten) erbovenop. Dat een zulke stem- of keursteen aan de overwinnaars werd gegeven, bevestigt Arethas (Aretas over Openbaring 2:17), zeggende: “De witte stemsteen heeft hij hier geplaatst, omdat die bekend was bij degenen die in de schouwburgen en stadions streden, en aan de overwinnaars gegeven werd.” Echter, sommigen, en in het bijzonder Faber (Faber, Agonistica, boek 2, hoofdstuk 9 en 33), betwijfelen of er ooit zulk een keursteen aan de overwinnaars van de Spelen werd gegeven, omdat de oudheid daar zo weinig over vermeldt, en daarom hebben we het ook niet anders dan onder het voorbehoud van een ‘misschien’ hier een plaats willen geven. Anderen staan toe dat aan de Olympische strijders wel een steentje, of wat met die naam werd genoemd, werd gegeven voor de aanvang van het spel (Brichtmannus over dezelfde plaats); en verstaan eronder het lot, dat elke wedstrijdspeler trok, waarover we het eerder hadden. Dat lijkt ons echter nog onwaarschijnlijker. Het kan zijn dat in overoude tijden het gebruikelijk was zulk een steentje te geven, maar dat de 'geving' daarvan later is verwisseld met, of als teken diende (zoals Faber wil) van wat naderhand de 'geving' genoemd werd (waarover hierna meer), en dat daarom het geven van het steentje aan de vergetelheid is overgegeven. Echter, we kunnen in twijfelachtige zaken niet licht iets vaststellen. Mocht het echter zo zijn dat de overwinnaar zulk een witte steen ontving, zou men voorts kunnen denken dat hij deze niet slechts heeft mogen beschouwen als een zeker bewijs dat de rechters hem de stem van de overwinning hadden gegeven, maar ook als iets waarmee hij te allen tijde datzelfde voor de hele wereld, als met zegel en brief, kon bewijzen. Het is ook niet vergezocht te gissen dat hij deze daarna wellicht heeft gebruikt bij stemmingen voor verkiezingen en dergelijke blijde verrichtingen, en telkens door dit teken de herinnering aan zijn overwinning en roem te vernieuwen.
Boek - pag. 368
§. V.
Ten tweede, de overwinnaars kregen nieuwe gewaden of rokken. Dit blijkt uit Lucianus (Lucianus in Demonax), die zegt: “op een zeker moment werd hij zelfs bespot door een atleet, omdat hij na zijn Olympische overwinning in een gebloemd gewaad verscheen, en die sloeg hem met een steen tegen de slaap, zodat er bloed vloeide.” Zo verhaalt ook Vopiscus (Vopiscus in Aurelianus, hoofdstuk 46) dat de prijzen voor de wedstrijdspelers kledingstukken omvatten, want hij schrijft hun tunicas subsericas & lineas paragandas toe: zijden rokken, en linnen, of kleden, of spreien, of strepen, riemen en boorden: want het woord PARAGANDAE is vrij dubbelzinnig van betekenis, waarover meer gelezen kan worden bij Turnebus (Adrianus Turnebus, Adversaria, boek 9, hoofdstuk 11), Matthias Martinius (M. Martinus, Lexicon Philologicum, onder het woord) en Buxtorfius. De laatste (Buxtorfius, Lexicon Talmudicum) toont aan dat het een Syrisch woord is, bij hen geschreven als פרגוד en פרגודא, wat in die taal zoveel betekent als een gordijn, voorhangsel, sprei, ja ook kleed en rok. Misschien gebruikt Vopiscus het hier voor overkleden, of mantels, die over de zijden rokken heen geslagen werden.
Boek - pag. 369
Deze waren oudtijds bij de Grieken, zo het schijnt, wit en zuiver (Buxtorfius' zoon in het Lexicon), om welke redenen van de overwinnaars gezegd werd dat zij 'met het witte kleed bekleed werden' (Chaldeeuws-Syrisch onder het woord פרגודא), hetgeen echter niet uitsluit dat het purperen boorden of randen kon hebben. Het schijnt dat de Olympische overwinnaars ten teken van hun overwinning en zegepraal met zulke witte gewaden uitgedost werden, omdat zij, na in een heilig, dat is, aan God gewijd spel overwonnen te hebben, als heilige overwinnaars werden beschouwd, en voorts als geheiligde personen en zelfs priesters. Deze kwamen, zoals Faber uit Plutarchus verhaalt (Faber, Agonistica, boek 2, hoofdstuk 12), in Antiochië de destijds door de Romeinse staat gezonden veldheren in een zodanig kleed en tevens gekroond tegemoet. Echter, naar de gedachte van dezelfde Faber zijn naderhand de klederen van de Olympische winnaars veranderd in 'geschilderde, gepalmde of gebloemde'; welke Isidorus als volgt beschrijft (Isidorus, Origines, boek 19, hoofdstuk 24): “dit werd een gepalmde toga genoemd, die degenen verdienden die de palm van de vijanden behaalden. Deze werd ook de geschilderde toga genoemd, omdat zij de overwinningen met palmen erin geweven had.” Deze verandering had al plaatsgevonden voor de tijd van Lucianus, die, zoals Faber opmerkt, verhaalt dat een Olympische overwinnaar uitgelachen werd omdat hij een 'gebloemd kleed' aanhad; een passage die wij zojuist hebben aangehaald. Echter, misschien was die overwinnaar de eerste die zulk een kleed in het Olympisch veld kreeg aangedaan, en kon hij bijgevolg om de ongewoonte en nieuwigheid uitgelachen zijn. Het is ongetwijfeld goedgevonden om de overwinnaars uit te dossen met een kleed dat met ingeweven palmen beschilderd was, omdat de palm het teken en een deel van de prijs van de overwinning was, en omdat de overwinnaars voorts door dit kleed hun verkregen zege konden uitbeelden en vertonen. En hiervan schijnt het afkomstig te zijn dat ook de Romeinse krijgsoverwinnaars met zulke gepalmde en gebloemde ererokken versierd zijn geworden. Voorts schijnt het ons toe dat de lineae Paragandae, linnen rokken, waarvan Vopiscus gewag maakt, zelf zulke gepalmde en gebloemde ererokken zijn geweest; de stof was namelijk linnen, de grondtoon wit, maar als geschilderd door de ingeweven palmen en bloemen.
Boek - pag. 370
§. VI.
Ten derden: er werd aan de Olympische overwinnaars een palmtelg (De palmtelgen waren vanouds een teken van overwinning en werden als zodanig menigmaal in de handen gedragen. Men zie dit ook in Johannes 12:13, Openbaring 7:9, en ook in de Apocriefe boeken 1 Makkabeeën 13:51, 2 Makkabeeën 10:7, 4 Ezra 2:45-46. Zie Ursinus, Arboretum Biblicum, hoofdstuk 41, § 18.) gegeven, niet als prijs voor de overwinning, maar als teken daarvan, zegt de beroemde Paschalius zeer treffend (Paschalius, de Coronis, boek 6, hoofdstuk 22), in het voetspoor van Julius Pollux (Pollux, Onomasticon, boek 3, hoofdstuk 3) en Aristides tredende; hoewel anders het palmloof, tot een kroon gevlochten, als een algemene prijs en kroon voor allerlei overwinnaars in alle spelen werd beschouwd, zoals Plutarchus (Plutarchus, Symposion, boek 8, probleem 4), en via hem anderen, al lang geleden duidelijk hebben verklaard. De woorden van Plutarchus geven dit te kennen, als hij vraagt: “Waarom heeft elk van de heilige wedstrijden zijn eigen krans, maar is de palm voor allen gemeenschappelijk?” Hierbij past wat Pausanias zegt (Pausanias, boek 8): “Van de meeste wedstrijden is de krans van palm; maar de palmtak wordt overal in de rechterhand aan de overwinnaars gegeven.”
Boek - pag. 371
Van de overgave van deze tak werden de spelrechters tak-gevers genoemd: “Want zij gaven de tak aan de overwinnaars als een zeker pand van de overwinning.” Daarom zegt Cassiodorus ook niet onaardig (Cassiodorus, boek 2, hoofdstuk 28): “de palmtak toont het volk dat de atleet de overwinnaar is.” De palmtakken die gegeven werden, waren de telgen met hun vrucht (dat zijn de dadels), die baia werden genoemd, alsof men biaia zei, van biaoo (geweld aandoen), omdat ze met geweld afgescheurd werden (Faber, Agonistica, boek 2, hoofdstuk 25, aan het einde). De overgeving nu van deze tak, om die als teken van overwinning voor en na de kroning in de rechterhand te dragen, werd bij de Grieken met haar eigen naam geving (dosis) genoemd (**Wanneer in Jakobus 1:17 gezegd wordt: ‘alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven,’ is het voor de uitleggers een punt van overweging welk onderscheid er is tussen ‘gave’ (dosis) en ‘gift’ (dorema). De beroemde Coccejus zegt: ‘dosis’ is algemener, en omvat ook goederen die eveneens Gods vijanden ten deel vallen; maar ‘dorema’ is specifieker, en duidt de goederen aan die men aan het einde in de eeuwigheid zal bezitten. Wij twijfelen er niet aan dat ‘dosis’ een mindere gave betekent, waarmee de Heer de nog niet volmaakten beloont, maar ‘dorema’ een grotere gift, waarmee Hij de volmaakt gewordenen beschenkt. Dit is een zinspeling op de beloningen van de wedstrijdspelers, die eerst kleiner waren en als onderpanden, voorboden en eerstelingen te beschouwen waren, en daarna groter en wezenlijker uitvielen.*), volgens het gevoelen van Paschalius (Paschalius, op de aangehaalde plaats).
Boek - pag. 372
Deze poogt zulks te bekrachtigen door deze woorden van Clemens van Alexandrië (Clemens Alexandrinus, Paedagogus, boek 2, hoofdstuk 8): “maar in de wedstrijden ging de 'geving' aan de atleten vooraf, daarna volgde het applaus, daarop de bestrooiing met bladeren, en als laatste de krans.” Casaubonus leest (Casaubonus over Suetonius, in Nero, hoofdstuk 25) 'gaven' en 'macht', en wil met anderen, t.w. Mercurialis (Mercurialis, de Arte Gymnastica, boek 1, hoofdstuk 14), Faber, e.a., dat Clemens aangeeft dat die genoemde dingen, elk op hun tijd, de prijs van de overwinning zijn geweest: t.w. vanouds de geving van 'echte prijzen', als drievoeten, purperen gewaden, goud, zilver, e.d., waarover in het vervolg meer; en dat daarna, toen dit ophield, de 'bedelarij' in de plaats kwam; wat hij verklaart als dat de wedstrijdspeler enige gaven van de toeschouwers bedelde, of tenminste verzocht. Maar ook toen dit ophield de prijs te zijn, zou de 'bestrooiing met bladeren' de plaats hebben ingenomen, en daarna zou de kroon de prijs zijn geweest. Echter, omdat Casaubonus erbij zegt dat Clemens niet wil beweren dat na de uitvinding van de kroon die eerste zaken geheel buiten gebruik zijn geraakt, maar dat ze in minder gebruik zijn gekomen, lijkt het ons dat Clemens wil zeggen, en ook Casaubonus, dat deze dingen (voorheen de prijzen) nu als voorbereidingen tot de kroon werden gegeven. Daarom zullen we ze dan ook op die manier, voortgaande, verklaren, en wel volgens de gewone lezing van geving, etc. Ik zeg dan wederom, dat Paschalius wil dat de palmtak, of de overgeving daarvan, met de naam geving werd aangeduid, en dit poogt te bevestigen met de genoemde woorden van de Alexandrijn, hoewel Mercurialis van andere gedachten is, en ook Faber is van andere gedachten (Faber, Agonistica, boek 2, hoofdstuk 9). Want de eerste vraagt zich af of er niet misschien een uitdeling (congiarium) door verstaan werd, in welke betekenis het Griekse woord bij Herodianus voorkomt, of misschien liever een of andere kleine gift, die in latere tijden te gering scheen.
Boek - pag. 373
Faber wil dat de geving een uitdrukking is van de 'geld- of gavespelen', dat zijn zodanige spelen die om geld en gaven, en niet om de kroon gestreden werden. Deze laatste, en niet de eerste, werden 'heilige' spelen genoemd, zoals Paschalius (Paschalius, boek 6, hoofdstuk 3) en Budaeus uit Pollux aanwijzen (Pollux, Onomasticon, boek 3, hoofdstuk 30), wat Faber echter uit dezelfde Pollux tegenspreekt. Maar hoe het ook zij over de naam 'heilig', de gaven die in zodanige spelen te verkrijgen waren, waren drievoeten, koperen vaten, kruiken, zilveren drinkbekers, gevoerde tabbaarden, purperen kleden, schilden en andere fraaiigheden, waarbij echter dan ook nog wel palmtakken en kronen gevoegd werden, zoals dit alles blijkt uit wat Vergilius (Vergilius, Aeneis, boek 5, vers 109) als volgt uitdrukt:
Munera principio ante oculos, Circoque locantur
In medio sacri tripodes, viridesque coronae,
Et palmae, pretium Victoribus, armaque, & ostro
Perfusae vestes, argenti aurique talentum.
Wat volgens Vondel is:
Men zet de prijzen eerst in 't midden op de baan,
Veld-tafels, God gewijd, die op drie voeten traden,
Goud, zilver, wapentuig, en purperen gewaden,
En zege-takken, en ook kransen, groen van blaan,
Om 's Overwinnaars hoofd zegehaftig te beslaan.
In kleinere en armoedigere spelen werd slechts een beker of kop voorgesteld en gegeven, zoals uit Athenaeus blijkt (Athenaeus, Deipnosophistae, boek 11). Zodanige gaven waren oudtijds de prijzen van de Olympische Spelen zelf, toen de kroon voor dat gebruik nog niet was ingevoerd.
Boek - pag. 374
Want ook Strabo wijst erop (Strabo, boek 8) dat ten tijde van de Trojaanse oorlog de kroon in het Olympisch spel niet bekend, of minder beroemd was. Faber (Faber, op de aangehaalde plaats) geeft verder aan of de 'geving' een stukje koper, of een penning is geweest, die behalve de kroon als een bijprijsje aan de overwinnaars werd gegeven, maar hen niet zo rijk kon maken als de rentmeester van een rijk man, zoals Galenus erover schertst (Galenus, Aansporing tot de kunsten). Maar over de zaak heeft ook Xenophanes van Kolofon gesproken in enige verzen die te lezen zijn bij Athenaeus (Athenaeus, Deipnosophistae, boek 10, aan het begin). Dan geeft Faber nog aan dat door het woord geving ook menigmaal de kroon-geving zelf wordt bedoeld. Zo vindt hij het gebruikt bij Pindarus (Pindarus, Pythische Ode 8, strofe 4):
Βασιλεῦ, δόσιν ἔχεις
εὐθαλεῖ σὺν εὐθυμίᾳ
Dat is:
Koning, gij hebt de gift,
zozeer begeerd,
op uw blijde feestdagen
roemrijk thuisgedragen.
En nog eens (Idem, Pythische Ode 9, strofe 2):
ὁ δὲ καλόν τι νέον λαχών ... δόσεος
Dat is:
Wie de grote gift,
Griekenlands vermaak,
krijgt, stijgt boven drift,
nijd en onlustzaken.
Boek - pag. 375
Tezelfdertijd brengt hij te berde dat Dionysius de Areopagiet (Dionysius de Areopagiet, Over de kerkelijke hiërarchie, hoofdstuk 7) ook gezegd zou hebben "de gift, of geving, van de heilige kronen." Hieromtrent merkt Lydius (Lydius, Agonistica, hoofdstuk 34) niet ten onrechte op dat het niemand vreemd moet lijken dat de geving, zo nauw aan de kroon grenzend, ook voor de kroon zelf gebruikt wordt: te meer omdat niet lang na de geving de aanreiking van de kroon volgde. Echter, misschien hebben we te breedvoerig over de 'geving' gehandeld. We keren dan terug tot de palmtak, die ons daartoe heeft geleid, en waarbij we ons nog wat moeten ophouden.
§. VII.
De palmtakken nu, die als zegeteken gegeven zouden worden, waren voor het oog in de loopbaan, op een verheven plaats, vanaf het begin van het spel en gedurende de duur ervan, tentoongesteld. Dit blijkt uit de algemene handelingen rond de prijzen en prijstekenen. Hierom heeft ook Vergilius, in de voorstelling daarvan die we hierboven hebben aangehaald, ook de palmen genoemd, zeggende:
"En zegetakken, en ook kransen, groen van blaan,
Om 's Overwinnaars hoofd zegehaftig te beslaan."
Daarenboven stonden ze zo tentoongesteld dat ze uit een schaal (DISCUS), een schaalvormige pot, rezen als uit een bloempot, en ongetwijfeld in een aantal gelijk aan het aantal spelers. Dit wordt waarschijnlijk gemaakt door twee figuren die Mercurialis heeft getoond (Mercurialis, de Arte Gymnastica, boek 2, hoofdstuk 5). Hier ziet u in elk drie balspelers, en daarenboven in de eerste, die afkomstig is van de penningen van GORDIANUS III, op een bekranste tafel een kruik met een pot staan, waaruit drie palmtakken rijzen, met ΑΓΩΝΟΘΕCΙΑ (hoewel in mijn boek, ongetwijfeld door een drukfout, ΑΓΩΝΟΘΕΣΙΑ gelezen wordt) als opschrift op de buik.
Boek - pag. 376
De laatste, welke Mercurialis zegt afkomstig te zijn van de penningen van M. AURELIUS ANTONINUS, gevormd te Constantinopel, heeft als buikopschrift ΑΚΤΙΑ ΠΥΘΙΑ, als zijnde voor het gebruik van de Pythische Spelen, die te ACTIUM ter ere van AUGUSTUS werden gevierd, wegens zijn overwinning behaald in de zeeslag op ANTONIUS en CLEOPATRA. Daarom weet ik niet wat voor een figuur Faber in dit hoofdstuk van Mercurialis gezien heeft, waar behalve het woord ΑΓΩΝΟΘΕCΙΑ de letters AI staan, of het moest de eerste zijn, omdat hij zegt dat ze op een bekranste tafel staat. Echter, daar vind ik die letters ook niet, maar alleen ΑΓΩΝΟΘΕCΙΑ. Weshalve het ons toeschijnt dat Fabers ijver zich onnodig vermoeid heeft, toen hij zich inspande om de zin van die letters te vinden, t.w. of ze de middelste zijn van ΒΑΙΟΦΟΡΟΙ, of de voorste Β en laatste ΟΦΟΡΟΙ door de alverterende tijd eraf gesleten zijn, en dat het gehele geschrift zou zijn geweest ΒΑΙΟΦΟΡΟΙ ΠΥΘΙΚΟΙ, dat is, de Pythische palmtakken: want, zoals we hierboven zeiden, ΒΑΪΑ betekent palmtakken. Terwijl hij ook de gissing toelaat of AI niet een teken van verwondering en wens is, het eerste deel van αἴ of αἰαῖ, om de grootheid van het geluk dat bij de palm te behalen was, en de zucht tot het grijpen daarvan te kennen te geven. Echter, indien er enige figuur getoond werd, die de penning van ANTONINUS met zoveel uitslijting van het laatste woord, dat er alleen twee letters A en I van te zien waren, en de standplaats van de uitslijting er niet tegen was, dan zou men billijker kunnen denken dat de voorste A en de I overblijfselen waren van het woord ΑΚΤΙΑ, en dat men daaraan, en aan niets anders, plaats moest gunnen.
Boek - pag. 377
§. VIII.
Dat nu de palmtakken als zegeteken de overwinnaar in de hand werden gegeven en als overwinningskroon op het hoofd gezet werden, zou zijn oorsprong hebben in het feit dat THESEUS, toen hij in Delos voor APOLLO een wedstrijdspel organiseerde, de overwinnaars met de palm gekroond zou hebben. Deze oorsprong wijst Pausanias aan (Pausanias, boek 8), en ondersteunt deze met een getuigenis uit Homerus, zeggende: "Het volgende wordt hierover gezegd: dat Theseus, toen hij (zoals men zegt) terugkeerde van Kreta, in Delos een wedstrijd voor Apollo organiseerde en de overwinnaars met de palm kroonde. Dit gebruik zou daar dus zijn begonnen, zegt men. Van de palm in Delos maakte ook Homerus melding in de passage over Odysseus' aanzoek bij de dochter van Alcinous." Bij die kroning zal ongetwijfeld de overhandiging van de tak voorafgegaan zijn, en is dezelfde manier van doen in het Olympisch perk in gebruik gebleven, met als enige verschil dat in plaats van een palmkroon een olijfkroon na het overgeven van de palmtak aan het hoofd werd toegevoegd. Terwijl anders bij een krijgsoverwinning een lauriertak in de handen werd gestoken, en tegelijk een kroon van laurier op het hoofd werd gezet, zoals blijkt uit dit vers van Tibullus (Tibullus, boek 2, elegie 5, aan het einde), ter ere van de zegepralende MESSALA opgezongen:
Ipse gerens lauros, lauro devinctus agresti
Miles, iö, magna voce, triumphe canet.
Dat is:
De krijgsman, die de tak draagt, op 't hoofd de kroon
Van laurierblad, wanneer u zult komen
Met heel uw stoet, zal tot uw lof en loon
Niet anders dan 'Io triumphe' met grove stemmen brommen.
Boek - pag. 378
Maar het is tevens ook zeker dat de Romeinen, in navolging van de Grieken, de overwinnende palmtakken gaven. Dit blijkt duidelijk uit Livius' woorden: eodem anno (sc. Sp. Carvilio, L. Papirio Consulibus) coronati primum ob res bello bene gestas ludos Romanos spectaverunt; palmaeque, tum primum translato e Graeci more, Victoribus datae. Dat is: in hetzelfde jaar (namelijk toen Spurius Carvilius en Lucius Papirius consuls waren) hebben zij die zich in de oorlog goed hadden gedragen voor het eerst gekroond de Romeinse Spelen aanschouwd; en palmtakken, een gewoonte die toen voor het eerst uit Griekenland was overgenomen, werden aan de overwinnaars gegeven.
§. IX.
De reden nu, waarom juist een tak van palmbomen aan de overwinning toegekend en aan de overwinnaars gegeven werd, dient nader onderzocht te worden. Bij dit onderzoek komt ons het gebruik van Ursinus' woorden van pas (Ursinus, Arboretum Biblicum, deel 1, sectie 4, hoofdstuk 41, nummer 18), over Plutarchus' bedenking waarom, waar ieder spel zijn bijzondere kronen had, zij allen echter de palm hadden? “Of het gebeurde om de schoonheid? of met het oog op haar lange levensduur, en dat ze niet één uitgesproten blad afwerpt? of omdat ze aan Apollo Pythius, de voorzitter van de spelen, was toegewijd? of omdat ze, naar het zeggen der Babyloniërs, driehonderdzestig soorten deugden voortbrengt? of ten slotte, omdat ze zich door geen zwaarte naar beneden laat drukken, maar ertegen opstoot?” Van deze dingen mag men ook de geleerde redeneringen van Paschalius nazien (Paschalius, boek 6, hoofdstuk 20). Het laatste komt zeker in het bijzonder in aanmerking (t.w. wanneer we vooropstellen dat misschien, omdat de palmboom wegens haar hoogte en scherpe schors zeer zwaar te beklimmen is, de palmtak de kampvechters als prijsteken werd voorgesteld, om aan te wijzen dat zij die niet dan door zware arbeid zouden kunnen verkrijgen).
Boek - pag. 379
En daarom zegt Lydius, citerend uit anderen (Lydius, Agonistica Sacra, hoofdstuk 44): “want gelijk de palmtakken, hoewel door een zwaar gewicht gedrukt, onder de last niet bezwijken, maar als met nieuwe krachten zich pogen hoger op te heffen, zo draagt een dappere kampvechter de arbeid, en ontwijkt die niet door laffe zwakheid, noch stort eronder neer, maar bemoedigt en verhardt zich tegen de moeilijkheden, zodat tegelijk de krachten van lichaam en ziel versterkt en vermeerderd worden.” Het zijn bijna deze woorden van Plutarchus (Plutarchus, Symposion, boek 8, probleem 4). Aulus Gellius heeft dezelfde voor een gedeelte als volgt weergegeven (Aulus Gellius, Noctes Atticae, boek 3, hoofdstuk 6): Si supra palmae, inquit, arboris lignum magna pondera imponas &c. Dat is: “als je (zegt hij) op het hout van de palmboom grote gewichten legt, en zo zwaar drukt en belast dat het de grootte van de last niet kan uitstaan, dan buigt de palm niet naar beneden, noch krimpt ineen, maar stijgt op tegen de last, en drijft opwaarts, zich naar boven krommend.” Hierom, zegt Plutarchus, heeft men de palm als teken van de overwinning ingesteld in de wedstrijdspelen, aangezien de natuur van dit hout zodanig is dat het niet wijkt voor wat dringt en verdrukt. De natuur van de palm is op die wijze ook door Xenophon beschreven (Xenophon, Cyropaedia, boek 7): “want ook de palmbomen, wanneer ze worden belast, buigen omhoog, net als de lastezels.”
Boek - pag. 380
Men zie hierover ook wat Aristoteles (Aristoteles, Problemen, 8), Plinius (Plinius, Naturalis Historia, boek 16, hoofdstuk 42), Erasmus (Erasmus in het spreekwoord 'De palm dragen') en anderen hebben aangetekend.
§. X.
Na de geving, t.w. van de tak, of, als iemand liever anders wil, van het stukje koper of de penning, gebeurde ten vierde de aanporring, zoals hierboven uit Clemens van Alexandrië is gebleken; een woord dat Paschalius (Paschalius, boek 6, hoofdstuk 22) verklaart als incitamentum sive adhortatio, aansporing of aanmaning, t.w. om te handklappen en te juichen ter ere van de overwinnaar. Deze aansporing moet geacht worden gedaan te zijn, ofwel door enige daartoe aangestelde bedienden, die het volk met een teken of woord opwekten om met handgeklap en gejuich het perk en de lucht te vullen, en de gillende weerklanken door elkaar te laten haspelen, zo niet tegen elkaar te laten stoten en hardnekkig te strijden; ofwel door het volk onderling, dat vermaak had in het aanschouwen van het spel, en overvloeide van gunst voor de overwinnaar, en daarom poogde ieder voor zich de eerste te zijn in het galmen, ja, in het aanzetten van anderen tot galmen.
§. XI.
Thans, ten vijfde, op de opwekking (Paschalius, aldaar), ja tegelijk daarmee, barstte het klappen, galmen en juichen van het gehele volk uit, dat bij de Grieken Krotos werd genoemd, en het verrichten daarvan noemde men de overwinning bejubelen. De Latijnen noemden die daad plausus, geklap, en het doen plaudere, klappen, omdat het voor een groot deel bestond uit een bovenmatige klapping van de handen in elkaar, of ook wel op andere lichaamsdelen, zijnde bij de ouden een teken van blijdschap, gunst, lof, prijs, ja gelukwensing. Zo werd, bijvoorbeeld, over ALCIBIADES geklapt en gegalmd, zoals hierboven (hoofdstuk 3, § 8) uit een vers van Euripides is getoond:
Boek - pag. 381
Maar, o zoon van Clinias,
'k Zal uw deugden galmen:
Schone Overwinnaar, ha!
Klappen met mijn palmen. enz.
§. XII.
Daarna geschiedde ten zesde, maar volgens de telling van Clemens van Alexandrië (die het geven van de keursteen, de opsiering met witte klederen om tot de Olympische vechters te naderen, enz. verzwijgt) ten derden, de bestrooiing met bladeren en bloemen. Dit tonen, uit de genoemde Clemens, Faber (Faber, boek 2, hoofdstuk 10), Paschalius (Paschalius, boek 6, hoofdstuk 22) en Lydius (Lydius, hoofdstuk 44) en anderen aan, op reeds eerder aangehaalde plaatsen. Echter, wij vatten de zaak zo op dat er misschien wel voorafgaand, t.w. voor de kroning, enige bloemstrooiingen (alsook enig handgeklap en het aandoen van enige zegeklederen) hebben plaatsgevonden; maar dat de volle maat en heerlijkheid hiervan pas na de kroning is voorgevallen. Weshalve wij eerst de kroning zullen beschouwen, en dan dit en andere heerlijke gevolgen wat breder zullen uitbeelden.