Boek - pag. 325
DERDE BOEK,
HANDELEND
OVER DE
PRIJS EN KROON VAN DE OVERWINNING
VAN DE OLYMPISCHE SPELEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
Inhoud van het derde Boek. Moet blijken wie de overwinnaar was. Rechters hiervoor nodig. Deze was doorgaans de vorst die de spelen organiseerde. Ook wel een of meer hiervoor verkozenen. Van mindere of meerdere vaardigheid. Minder of meer in aantal. Waarom ze Hellanodiken werden genoemd. Hun werk, en dat van de Agonotheten. Het grote aanzien en de luister van de Hellanodiken. Waren soms de koningen zelf. Hoe en waar hun zitting was. Waren prachtig uitgedost, en wel in purper. Hadden een kroon op het hoofd. Ook staven in de hand. Deze waren voor de praal, ter vermaning, om recht te oordelen, als teken van macht, en het vermogen om te straffen. Wie er allemaal gestraft werden.
Boek - pag. 326
De rechtheid van de staf een teken van gerechtigheid. De staf ook een uitbeelding van vrede. De Hellanodiken beschouwd als voorzittende goden van de spelen.
§. I.
Alle arbeid die rond en in de Olympische wedstrijden werd verricht en gedaan, had als doel de overwinning en de prijs en kroon die daaruit te ontvangen waren: welk inzicht alle moeite en smart verzachtte, en alle gevaren kon doen verachten. Hiertoe werden de prijzen vóór het begin van het spel uitgestald, op drievoeten of tafels tentoongesteld, ook wel opgehangen, opdat de glans ervan, schitterend in de ogen van de wedstrijddeelnemers, hun begeerte des te meer zou aanwakkeren, en hen verder zou bemoedigen en tot de zwaarste ondernemingen aansporen. Want hoe brandt het gemoed, nu het zondig is, naar ijdele eer! Over de prijs en kroon van de overwinning zal dit huidige boek dan ook handelen.
§. II.
De prijs was voor de overwinnaar: maar wie de overwinnaar was, moest eerst blijken en hij moest er gerechtelijk voor worden verklaard, en tot de prijs gerechtigd worden.
§. III.
Omdat de overwinnaar dus als zodanig gerechtelijk moest worden genoemd, geopenbaard en verklaard, was het uiterst noodzakelijk dat er rechters waren, die het vonnis hierover uitspraken. Daarom zullen wij allereerst over dezen, en de zaken die hen aangaan, zo kort en duidelijk als het ons mogelijk is spreken.
Boek - pag. 327
§. IV
Het is op zijn plaats uit Paschalius aangetoond, dat de verzorging en besturing van de spelen van een oudere herkomst is: bijgevolg valt af te leiden dat bij de viering van de spelen ook aldaar een achtbaar gezag en rechterlijk vermogen, om bij vonnis de overwinnaar te noemen en de prijs uit te reiken, heeft bestaan. Een dergelijke besturing en vonnisvelling berustte doorgaans bij de vorst die de spelen organiseerde. Dit zien wij duidelijk uit wat Vergilius (Vergilius, Aeneis, boek 5) over Aeneas dicht, die hij op het Siciliaanse strand als organisator van de spelen, en vervolgens als rechter en prijsuitdeler aanstelt. Zo hebben zonder twijfel de oude koningen van Elis, Aethlius enzovoort, ook in al die hoedanigheden de leiding gehad. Bij de vernieuwing van het spel heeft, naar aanwijzing van Pausanias, ook Iphitus de leiding gehad, alsook Oxylus en de nazaten van Oxylus (Pausanias, boek 5). Zo zat in de Romeinse spelen, zo vaak het hem behaagde, de keizer vooraan, zoals de Romeinse oudheden overal getuigen. Maar het gebeurde ook wel anders, dat, voor de uitvoering van wat deze hoedanigheden vereisten, een of meer verkozenen werden aangesteld. Zo wordt gezegd dat Achilles (Homerus, Ilias) Phoenix heeft aangesteld als toezichthouder van zijn vaders spelen, om op de wedloop te letten en de waarheid te spreken. En Philippus de Macedoniër, die Griekenland onder het juk had gebracht, nam niet alleen zelf de voorzitting bij de Pythische spelen waar, maar zond – wat wel het hatelijkste was en het ondraaglijkste voor de Grieken – zijn dienaren daarheen om dat ambt waar te nemen, zoals Demosthenes verhaalt (Demosthenes, Philippica 3). Over de Neroniaanse spelen, omdat hij doorgaans zelf een medespeler was, stelde Nero spelmeesters aan, te weten mannen van consulair gezag, en liet hen op de plaats van de praetoren zitten: aangezien namelijk doorgaans de praetoren (Suetonius, In Nero, hoofdstuk 12)
Boek - pag. 328
de praetoren, naast de vorst, of onder hem, de besturing van de spelen en de voorzitting hadden. Maar na het uitsterven, zo het schijnt, van de stam van Oxylus, toen de spelen steeds meer in aanzien kwamen en heel Griekenland er belang in kreeg, of reeds had, werden er twee burgers van Elis voor verkozen, namelijk om de spelen te verzorgen, te besturen en over de overwinning te oordelen: en dit geschiedde in de vijftigste Olympiade: daarna is het gebeurd (Philostratus, In het leven van Apollonius, boek 5), dat er zeven, negen, tien en twaalf voor werden verkozen. En om het precies te zeggen, in de vijfenzeventigste Olympiade (Pollux, Onomasticon, boek 8) werden er negen verkozen, die Hellanodiken werden genoemd: alsof men zei; Griekse rechters, of rechters van het Griekse volk. Daarna werd hun aantal vermeerderd (Pausanias, boek 5) of verminderd, naar gelang de staatsomstandigheden. Maar waarom werden deze Hellanodiken genoemd? Misschien (Paschalius, Over kronen, boek 6, hoofdstuk 10) omdat ze in het begin uit alle Griekse staten, aangezien het spel een gemeenschappelijk spel was, daartoe werden aangesteld, en zij waren met meer of minder, naargelang meer of minder Griekse staten (provincies zouden wij zeggen) zich in het verbond van Elis hadden begeven. Deze namen de verzorging en besturing op zich, maar lieten het werk, vooral in het begin, uitvoeren door enige mindere heren, die de oude naam van agonotheten en athlotheten enzovoort droegen, welke naam zij echter ook overnamen als opper-agonotheten, rechters, enzovoort. Echter, toen met verloop van tijd het Griekse bondgenootschap door Macedoniërs en Romeinen werd vernietigd, werden deze opper-agonotheten alleen uit de Eleërs verkozen: met betrekking tot welke laatsten de woorden van Paschalius te begrijpen zijn (Paschalius, boek 6, hoofdstuk 11), als hij zegt: Ook worden zij Hellanodiken genoemd, namelijk de magistraten van Elis, prijsuitdelers, verzorgers of beheerders van de Olympische wedstrijd. Dat
Boek - pag. 329
is: Ook zijn zij Hellanodiken genoemd, te weten de magistraten van Elis, die van het Olympische spel de verzorgers en bestuurders waren. Verder hebben de Hellanodiken, als opper-agonotheten, eerst toen zij uit alle Griekse staten kwamen, en daarna toen ze alleen uit de staat Elis kwamen, zich verdeeld, en uit hun midden enigen gemachtigd die over deze, en anderen die over gene spelen toezicht houden, daarover oordelen en de prijzen uitdelen zouden: in welke twee opzichten zij rechters, of brabeuten werden genoemd, dat is, prijsuitdelers (*), waarbij er drie werden aangesteld over de wedloop, drie over het vijfspel, en de anderen over de andere spelen: te weten om erover te oordelen en de prijs uit te reiken. Hetzelfde dat wij reeds in het eerste boek met de woorden van Hospinianus uit Pausanias hebben gezegd (Pausanias, op de aangehaalde plaats).
(*) Pollux, boek 3, hoofdstuk 30, maakt dit onderscheid tussen agonotheten en brabeuten, en zegt: Bij de muziekwedstrijden zitten wel de rechters, de agonotheten, maar over de worstelperken staan de prijsuitdelers, de brabeuten, die ook Plato athlotheten noemt. Dit zijn dan de uitdelers van de prijs, welk woord ook Paulus gebruikt in 1 Korintiërs 9:24 en Filippenzen 3:14, met meer zinspeling op de Olympische wedstrijden, en door de onzen vertolkt als prijs. Philo zegt in zijn boek Over de landbouw dat de prijs eigenlijk de kroon is, die van de rechter aan de overwinnaar werd gegeven.
Boek - pag. 330
vorstelijke spelorganisatoren, en deden wat koningen zich niet schaamden te doen, maar als vermaak en glorie beschouwden. Zeer opmerkelijk zijn dan ook de woorden van Paschalius hierover (Paschalius, boek 6, hoofdstuk 10): Welk voorrecht zeker tot de koninklijke taken gerekend wordt, enz. Dat is: “welk voorrecht zeker gerekend wordt tot de koninklijke verrichtingen, zoals Strabo van sommige koningen meldt (Strabo, boek 14). Bij de Perzen stelden de koningen zelf de prijzen vast voor de wedloop en voor alles wat in de vijfkamp-wedstrijden wordt beoefend, naar het getuigenis van dezelfde Strabo (Strabo, boek 15). Het schijnt dan een koninklijke eigenschap geweest te zijn, deze spelen te besturen. Zeker, de Korinthiërs hebben Agesilaus verzocht (Plutarchus, In Agesilaus) dat hij het bestuur over de Isthmische spelen op zich wilde nemen: wat hij echter niet heeft gedaan: maar toen zij het hadden bestuurd, is hij aldaar gebleven, en heeft hij de veiligheid van de wedstrijddeelnemers geregeld. Bij Quintus Calaber (Quintus Calaber, boek 4) schrijft Agamemnon het teken voor aan degenen die bij de lijkspelen voor Achilles moesten rennen.
De zoon van Atreus, die de scepter in Griekenland zwaait,
Markeert de baan waarom de snelle wedloop draait.
Ook verhaalt Lucianus uitdrukkelijk, dat zelfs Hercules hierin voorgezeten heeft (Lucianus, In Hermes).
§. VI.
Naast deze eer van successie of opvolging, en uit kracht daarvan, zaten zij ook aan de rechterhand van de agonotheten, dat is, naar onze mening, de onder-agonotheten, onder-athlotheten, enzovoort, die hun ondergeschikte ministers of bedienden waren. En dat (Lucianus, aldaar)
Boek - pag. 331
die hun als minderen aan de linkerhand zaten, blijkt wederom uit Lucianus, alsook uit Faber, die hem aanhaalt (Faber, Wedstrijden, boek 3, hoofdstuk 19, vanaf het begin). Dit zitten heeft echter betrekking op degenen die uit hen het college, de vergadering, vormden, zo het ons schijnt, wat sommigen deden, terwijl de anderen, elk in hun drietallen, gemachtigd, op hun post van toezicht bleven, te weten drie aan het einde van de loopbaan (zoals blijkt uit het geval van Eupolemus en Leo Ambratioter, waarover beneden meer) (Pausanias, boek 6), enzovoort. Of ook wanneer zij bij de oordeelsvelling en prijsuitdeling allen bijeen waren, zoals ons toeschijnt dat het placht te gebeuren. Zij zaten dan (hoewel Paschalius meent, dat ze ook dikwijls stonden, om beter toe te zien en alles waar te nemen) (Paschalius, boek 6, hoofdstuk 11), op het Plethrion, het afgeschotte gestoelte, dat ongetwijfeld prachtig was en eer verschafte aan zijn bezitters, zowel om de kunst van het maaksel, als omdat het voor een heiligdom, en van daar voor een asylum, een vrijplaats, werd aangezien (Pausanias, boek 6): en eindelijk omdat zijn standplaats recht tegenover het altaar en de zitting van de priesteres van de Chamyne Ceres was, die als enige het spel van naakte mannen mocht aanschouwen.
§. VII.
Zij waren ook prachtig uitgedost. Want hoewel Pausanias vermeldt (Pausanias, boek 3), dat zij vanwege het bedrog van Pherenice – die zich als man voordeed toen ze haar zoon Pisidorus naar de wedstrijd bracht en naderhand, toen haar zoon de zege behaalde, zichzelf van vreugde ontdekte en als vrouw bekend werd – naderhand naakt moesten voorzitten: zo heeft die onzedelijkheid echter niet altijd bijval gevonden, maar hebben zij zich, net als voorheen, weer gekleed vertoond, en wel in een kleed van grote pracht, namelijk het
Boek - pag. 332
waardige en bij de ouden zo zeer geroemde purper, een dracht van koningen, zoals ook paste bij degenen die in de plaats van koningen stonden en een koninklijke waardigheid bekleedden. Dat zij nu in het prachtige purper zaten, wordt wel niet overal gezegd, maar wordt waarschijnlijk echter uit Lucianus bewezen (Lucianus, aldaar), als hij Anacharsis invoert die in de Atheense school van de vuistvechters spreekt en getuigt dat hij uit het purper iemand als een van de oversten had herkend. Maar het blijkt nog meer uit de navolging van twee Romeinse keizers, Claudius en Domitianus, want van de eerste zegt Dio (Dio, boek 68), dat hij op zijn Grieks uitgedost gezeten heeft in de spelen, en dat hij vooral in de naaktwedstrijd een purperen mantel omgehangen heeft. En van de laatste zegt Suetonius (Suetonius, In Domitianus, hoofdstuk 4), dat hij in de wedloop van de jonge dochters op sandalen, en met een purperen Griekse toga bekleed enzovoort de voorzitting nam. Dat op zijn Grieks, en met een purperen Griekse toga bekleed te zijn in de spelen, getuigt (dunkt ons) klaar genoeg, dat ook de Griekse bewindslieden met het luisterrijke purper omhangen zijn geweest.
§. VIII.
Maar deze bewindslieden waren ook met nog andere koninklijke praalstukken versierd: want zij waren ook verheerlijkt met een kroon; ongetwijfeld eerst van die stof waarmee de overwinnaars gekroond werden, namelijk olijfbladeren, maar daarna van goud. Dat ze gekroond waren, blijkt genoegzaam uit wat Diodorus Siculus verhaalt (Diodorus Siculus, Bibliotheek, boek 15, hoofdstuk 78), namelijk dat de Pisaten met hulp van de Arcadiërs de Eleërs hebben verslagen, wier spelers gekroond waren: niet alle spelers gekroond,
Boek - pag. 333
maar de bewindslieden, zoals, naar onze mening, Faber het terecht verklaart. Zo waren ook de bewindslieden van de Isthmische spelen gekroond, zoals Dio Chrysostomus toont (Dio Chrysostomus, In Diogenes), ter gelegenheid dat hij spreekt over hun stokdragers, gezonden om Diogenes aan te zeggen dat hij de aangenomen kroon zou afleggen, en over het antwoord dat Diogenes daarop terugzond. Niet minder dan de Isthmische, zijn de Eleïsche zonder enige tegenspraak gekroond geweest, waar alles trotser was. Dit mag men voorts ook besluiten uit de aangehaalde passage van Dio betreffende Claudius (Dio, wederom boek 68), want hem als spelvoorzitter, en als het ware op zijn Grieks uitgedost, vertonende, zo zegt hij, dat die keizer behalve het purper een gouden kroon genomen, dat is, opgezet heeft. Insgelijks voegt Suetonius bij keizer Domitianus (Suetonius, in Domitianus, hoofdstuk 4) ook bij het gekleed zijn met een purperen Griekse rok het dragen van een gouden kroon op het hoofd, met de beeltenissen van Jupiter en Juno, terwijl tevens ook de Jupiterpriester en het college der Flaviales met een dergelijk gewaad en kroon opgepronkt waren, waarin nog, behalve de andere beelden, ook zijn eigen beeltenis was gevormd. Xiphilinus gaat, uit Dio wiens samenvatter hij is, ook zo ver keizer Commodus (Xiphilinus, in Commodus) op zijn Grieks met purper bekleed, en getooid met een kroon, brallend van Indische edelstenen, in de schouwburg te vertonen, en bevestigt daardoor wat wij zeggen, te weten, dat de bewindslieden of rechters van de Olympische spelen gekroond waren. Het paste bijna ook niet anders, aangezien zij te beschouwen waren als priesters van de spelen, die ter ere van die ingebeelde god, en aan dezelve (welke hier vooral de Olympische Jupiter was) werden toegewijd. Want de priesters waren gekroond met olijfkransen, windsels, mijters, ook wel met gouden kronen, zoals uit de aangehaalde passage van
Boek - pag. 334
Suetonius blijkt. Gekroond waren ook de priesteressen; want zo verhaalt Heliodorus van Chariclea (Heliodorus, Ethiopische verhalen, boek 1), priesteres van Diana, dat ze door Theagenes aan die dracht als priesteres herkend is.
§. IX.
Daarenboven, wat ook iets koninklijks had, hadden zij staven in de handen, zoals Faber uit Hyginus bewijst (Hyginus, boek 2), en ook kan worden afgeleid uit wat Cato de Jongere nabij Antiochië overkwam: want toen zij aldaar spelen hielden, en hem tegemoet kwamen (Plutarchus, In Cato de Jongere), zag hij de opperbestuurder van het spel, die een kroon en een staf had. Dat nu, gebeurende ter navolging van de Olympische spelen, bewees wederom dat zij aldaar de staf voerden. En hierom zijn de Olympische bewindslieden door sommigen ook met de naam van stafdragers genoemd, zoals Scaliger aantekent (J. Scaliger, Over de dichtkunst, boek 1, hoofdstuk 24). Dat zij nu de staf hielden, was een duidelijk vertoon van hun grootheid, aangezien de staf van oudsher, en lang voor die tijden, een teken is geweest van koninklijke heerschappij, hetzij dat deze ontleend was aan de staf der herders, die er de schapen mee stuurden en leidden; om de vorsten te doen gedenken dat zij herders van volkeren waren: hetzij om erdoor hun kracht en geweld (aangezien men met een stok zijn macht kan verdubbelen) te verbeelden: hetzij om hen bij de rechtstok in te boezemen en voor ogen te stellen, dat zij recht te oordelen hadden. Voorzeker, de Hellanodiken hadden ze, zowel ter praal, als daarenboven als een teken van macht en vermogen, om namelijk onbescheiden wedstrijdspelers te straffen: wat zij echter nooit of zelden zelf deden, maar door de stafdragers, die voornamelijk de onder-agonotheten waren, en door de zweepdragers,
Boek - pag. 335
terecht stok- en knuppeldragers te noemen, lieten uitvoeren: wat gedaan werd, ofwel als een al te wanordelijk gewoel tijdens het spel ontstond, of als de strijders zich te traag bewogen en zich verdacht maakten van samenspanning, onderlinge verstandhouding: zoals blijkt uit wat Augustinus zegt (Augustinus, Over de catechese, hoofdstuk 16): door de drift voor de spelen worden ze de duivels gelijk, met hun gedruis de mensen aanhitsend, en elkaar te slaan, en dat ze ijverig tegen elkaar strijden, waar ze niet beledigd hebben, om het dwaze volkje te behagen ---. Welke, als men merkt dat ze eendrachtig zijn, dan haten en vervolgen zij hen, en roepen dat ze als samenspanners, die onderling een afspraak hebben gemaakt, gestraft moeten worden, en dwingen de rechter, die een wreker van alle onrecht moest zijn, daartoe enz. Ook geschiedde zulk een slaan, als de wedstrijdspelers al te vroeg en hitsig voor hun beurt aanvielen. Hierop wordt gezinspeeld bij Plutarchus (Plutarchus, in Themistocles) door het antwoord, dat Eurybiades aan Themistocles (die hem aandrong dat hij als admiraal van de vloot te Sparta het werk niet zo slap moest nemen) liet toekomen, zeggende; O Themistocles, bij de spelen slaan ze degenen die te vroeg starten. Maar ook werd wel afgeranseld hij die tegen de wil van de bewindslieden, of uit zichzelf, een overwinnaar kroonde: zo verhaalt Pausanias (Pausanias, boek 6), dat Lichas de Lacedemoniër, die echter op naam van de Thebanen streed, slagen kreeg, toen hij de overwinnende voerman van zijn wagen de krans om het hoofd bond. Evenals ook zij wel klappen kregen, die de spelen met bedrog en omkoping gestreden en gewonnen hadden, en behalve de slagen nog een zware geldboete opgelegd kregen: waarover beneden meer. En ook werden op last van de Hellanodiken, door bemiddeling van de onder-agonotheten en
Boek - pag. 336
zweepdragers, de slecht spelenden wel met slagen uit het perk gedreven. Dit gebeurde tenminste in het muziekspel aan Euangelus de Tarentijn, want die met twee anderen om de prijs zou spelen op de kithara, had zich zo prachtig uitgedost en opgepronkt, dat hij aller ogen tot zich trok. Echter, zonder bekwaamheid in deze kunst, toen het spel begon, bevonden wordende, was hij allen tot spot, en werd zijn onbezonnenheid door de zweepdragers al slaande gestraft, tot zover, dat hij al krijtend uit de schouwburg door het midden van het toneel met bebloede benen geleid zijnde, werd buitengesloten: zo het anders waar is, wat Lucianus verhaalt (Lucianus, in het boekje "Tegen een onbezonnen wens"). Voor dergelijks was ook Nero bevreesd, waarom hij de agonotheten en zweepdragers steekpenningen beloofde, naar het verhaal van Dio bij Xiphilinus en Suetonius (Xiphilinus, in Nero; Suetonius, in Nero, hoofdstuk 23): zoals ook Caracalla, die gezegd wordt bij de wagenrennen in het circus zich gebogen en geneigd te hebben voor een agonotheet, die echter maar een vrijgelatene van stand was, om de slagen te ontduiken, zo hij zich ergens in vergreep. Iets dergelijks zou Heliogabalus gedaan hebben (Xiphilinus, in Heliogabalus). Behalve dit openbare, is het zeker, dat ook de gymnasiarchen en xystarchen, de meesters van de oefenscholen, in het besturen van hun scholen en de oefeningen aldaar met staven en roeden voorzien waren, en dat ze daarmee flink op de leerlingen, wanneer zij zich te buiten gingen, insloegen: zoals blijkt uit wat Plutarchus van Antonius verhaalt (Plutarchus, in Antonius), die zich gedroeg met de aflegging van veldheerstekens en sieraden, als een gymnasiarch, een oefenschoolmeester te Athene, waarvan breder bij Faber te lezen is (Faber, boek 1, hoofdstuk 19).
§. X.
Maar er is gezegd dat de rechte staf of roede door zijn rechtheid ook een indruk gaf aan degene die hem zwaaide, dat het zijn taak was recht en onpartijdig te vonnissen, en deze staf zwaaiden ook de koningen, omdat zij als opperheersers ook opperrechters waren. En daarom was te Athene de staf een teken van alle rechters: wat blijkt uit de scholiast van Aristophanes (Scholiast bij Aristophanes, in Plutus), die zegt: en nadat er geloot was, kreeg de een de taak over deze, de ander over andere zaken te oordelen. De heraut (dienaar) gaf aan ieder een staf, als teken om rechtvaardig te oordelen: als nu eenieder tegen de avond zijn staf aan de prytaan teruggaf, ontving hij een triobool voor zijn rechtszitting. En dat de Attische rechters zulke staven namen, toont ook Aristoteles (Aristoteles, in de Staat van Athene), zeggende: want op elk van de rechtshuizen boven het portaal van de ingang is een devies geschreven. En hij (de rechter), de staf nemende, gaat zijn rechtshuis binnen. Zo schrijft ook Homerus aan de rechters, zittende ter beraadslaging en oordeelsvelling, staven toe (Homerus, Ilias, boek 18), en noemt ze nadrukkelijk met het woord scepters.
De rechters, die, ieder met zijn handen vattend
De scepters, hun van hunne dienaars toegereikt,
In het heilig rond op uitgehouwen stenen zaten.
Zo vertalen wij het, ofschoon de scholiast Eustathius (Eustathius, op die plaats) het zo heeft opgevat, dat zodra de rechters neergezeten waren om recht te spreken, zij alsdan
Boek - pag. 338
aan de herauten, de dienaars, de scepters overhandigden, opdat die middelerwijl het gedruis van het volk zouden bedwingen. Ons dunkt, dat zij de scepters behielden, zolang zij recht zaten, maar dat ondertussen de dienaars staven of stokken hadden tot bedwinging van het volk en diens geraas. En dit dunkt ons klaar genoeg uit de scholiast van Aristophanes, wiens woorden zojuist zijn aangehaald, als ook uit de natuur der zaken te blijken. Onderwijl echter bevestigt hier gemelde Eustathius, dat aan de rechters scepters eigen waren, zeggende: Maar de rechters moeten scepters hebben: als zij zaten, hadden zij die niet altijd, maar als zij opstonden, namen zij die weer. Anders hadden de omstaande herauten, de dienaars, hun scepters, enzovoort. Daar nu de Hellanodiken als rechters in een rechterlijk gezag zaten, wat wonder was het dan, dat ze ook scepters zwaaiden, terwijl hun ondergeschikten en dienaars, de agonotheten en zweepdragers, deels mede met staven, deels met stokken voorzien waren.
§. XI.
Ook paste het bij de Hellanodiken om de staf of scepter te houden, aangezien de staf van oudsher, vanwege het teken van macht, regering, bestuur en onderwerping dat erin lag, een uitbeelding is geweest van vrede: te weten, omdat door de macht van een stok en bestuur de twistenden en vechtenden gescheiden kunnen worden, en daartoe gebracht, dat ze ophouden met zulke daden, en voorts stil zijn, wat een gedeelte van de vrede is, zijnde het andere gedeelte slechts een volharding van die ophouding, die menigmaal tot gezelschap krijgt liefde, gunst,
Boek - pag. 339
toegenegenheid, onderlinge vereniging en bijstand enzovoort. Zo wordt aan Mercurius een staf of scepter toegeschreven, met twee gekronkelde slangen omwonden, als het vredesteken, omdat hij die tussen twee strijdende slangen wierp en hen uit hun strijd deed scheiden, tot stilte bracht, en alzo tot vrede, naar het getuigenis van Orpheus (Orpheus, in Hymnen). Apollo zou hem deze vereerd hebben, tot vergelding dat hij hem de eer van de uitvinding van de lier toestond (Hyginus, op de aangehaalde plaats). Zij wordt gezegd van goud of verguld geweest te zijn, omdat de vrede rijkdom toestort. Hierop zinspeelt Horatius, als hij van Mercurius zingt (Horatius, Oden, boek 1, ode 10):
Gij brengt de vrome zielen naar hun blijde rustplaats
en met uw gouden staf bedwingt u de lichte schare,
dus geliefd bij het godendom daarboven,
en ook beneden.
De Hellanodiken, zeg ik, paste dan ook de staf of scepter, omdat ze door hun bestuur en oordeel rust en stilte veroorzaakten, aangezien zij niet alleen het gewoel van het volk bedaarden, de wanordelijkheden der strijders verhielpen, maar ook degenen die na gedane strijd elk het vurigst naar de prijs grepen, en erover onder elkaar, zoals het gebeurde, twistten, kwamen scheiden en alzo tot rust brachten.
§. XII.
Omdat zij nu in zulke luister zaten, waren zij bijna niet anders te beschouwen dan als de
Boek - pag. 340
aanwezige goden van het spel, hoewel die erenaam anders vooral Mercurius toekwam, zoals elders is aangetoond (Paschalius, boek 6, hoofdstuk 11). En dit gold waarachtig vooral voor de oudste die aller voorzitter was, en de plaats van Mercurius bekleedde, of liever geacht werd te bekleden: daarom ook door Faber als de voorzittende god van het spel beschreven (Faber, boek 1, hoofdstuk 19); die ook de rang had in het gaan: wat dezelfde alzo uitdrukt (Dezelfde, boek 2, hoofdstuk 24, aan het einde): dezelfde (namelijk Philostratus) leert ons op een andere plaats, dat de oudste gewoon was voorop te gaan, en de andere Hellanodiken, ieder naar de voorrang van zijn leeftijd, volgden. Hun rang was dan de natuurlijkste, namelijk naar leeftijd.